NOGMAALS TAAL & KLEUR

Eerst een dienstmededeling:

Strikt genomen is alleen een verkeerslicht dat op rood staat een stoplicht; bij groen moeten de weggebruikers immers niet stoppen, maar juist doorrijden. Het officiële Reglement verkeersregels en verkeerstekens heeft het over verkeerslicht.

Aldus het Genootschap Onze Taal.

Onlangs schreef ik een stukje over kleur en taal.
De strekking: een woord roept associaties op aan andere woorden en aldus ontstaan netwerken. Om een voorbeeld te geven: ‘rood’ roept associaties op aan ‘bloed’, ‘liefde’, ‘hart’, ‘vuur’, ‘roos’ en wat al niet meer.

Deze wijsheid heb ik niet van mezelf, maar van een onderzoek door psychologen van de Universiteit Leuven. Zij doen al enkele jaren onderzoek naar ‘semantische associatieve netwerken’ onder de noemer ‘Dutch Word Associations’.
Tijdens het onderzoek krijgen respondenten een woord (het kernwoord) voorgelegd met de vraag drie woorden op te schrijven die dat woord associatie oproept. Bepaalde woorden worden dan natuurlijk vaker genoemd als andere.
Dat zegt iets over de kracht van de associatie met het kernwoord.

Ik noemde in het artikel over kleur en taal terloops ook de woorden ‘verkeerslicht’ en ‘stoplicht.’ Als we deze woorden gebruiken bedoelen we meestal hetzelfde. Kijken we echter naar de associaties die ze oproepen, dan zien we opmerkelijke verschillen.

Bij ‘verkeerslicht’ noemen respondenten de volgende associaties:

  • Rood (83)
  • Groen (57)
  • Oranje (33)
  • Stoppen (31)
  • Kruispunt (15)
  • Wachten (6)

Bij ‘stoplicht’ is dit:

  • Rood (85)
  • Groen (23)
  • Stoppen (21)
  • Auto (16)
  • Oranje (14)
  • Wachten (14)

Opvallend:
wel ‘’stoppen’ en ‘wachten’, maar nergens ‘doorrijden.’
Ook opvallend:
wel ‘auto’, maar geen ‘fiets’ of ‘voetganger.’

Blijkbaar is in ons verkeersbeeld de auto de maat aller dingen. Bovendien roepen stop- of verkeerslichten vooral negatieve associaties op, terwijl die toch ook een groot deel van de tijd zorgen voor doorstroming en verkeersveiligheid.

Daarbij nog iets anders:
veranderen we het woord ‘verkeerslicht’ in ‘stoplicht’, dan is dat al genoeg om de associatie met ‘groen’ met meer dan de helft af te laten nemen. Woorden roepen dus niet alleen associaties op, maar kleine verschillen in de kernwoorden kunnen die associaties op hun beurt ook weer beïnvloeden.

Dit kunnen we visualiseren:

verkeerslicht

associaties bij ‘verkeerslicht’

stoplicht

associaties bij ‘stoplicht’

Overigens werkt de associatie stoplicht-rood en verkeerslicht-rood maar naar één kant. Als respondenten het woord ‘rood’ voorgelegd krijgen, geven slechts twee ‘verkeerslicht’ als associatie. Ook ‘groen’ leidt slechts tweemaal tot ‘verkeerslicht’, maar ‘oranje’ opmerkelijk genoeg juist tot zeven keer.
Gegeven de bovenstaande nadruk op ‘auto’, zou je omgekeerd verwachten dat dit woord ‘verkeerslicht’ automatisch oproept als associatie. Maar dat blijkt helemaal niet zo te zijn.
Nul keer!

De wegen van woordassociaties blijven al met al tamelijk ondoorgrondelijk!

Wie overigens mee wil doen aan dit onderzoek kan nog steeds hier terecht.

Advertenties
Geplaatst in kleur, onderzoek, taal | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

WONDERLIJK SAMENSMELTEN VAN ZINTUIGEN

Ziet u de kiki en de bouba?

kiki - bouba

Mallotige vragen, denkt u wellicht. Misschien dat u daar wat milder over gaat denken als ik vermeld dat het gaat om de samenhang tussen klank en vorm.
‘Kiki’ klinkt scherp; ‘bouba’ zacht en rond.

Als ik nu de vraag herhaal: ziet u hierboven de kiki en de bouba?
Ziet u dan rechts de kiki en links de zachte, rondborstige bouba? De zachte golvende lijnen van de één imiteren het geluid ‘boeba’ en onze lippen versterken dit effect door de zachte ronding en ontspanning als we het golvende boeoe-baaaa uitspreken.
Kii-kii lijkt eerder de scherpe kromming van de tong en het harde, scherpe k-geluid te representeren.
Het lijkt er dus op dat we bij het benoemen van objecten of handelingen soms de vorm of de eigenschappen van dat object laten doorklinken.
Zelf vind ik het woord ‘plakken’ een mooi voorbeeld.
Plllllllllllllakken: alsof de klank vastzit aan tong en verhemelte en zich slechts moeizaam losmaakt. Vergelijk dat eens met ‘knippen’: we horen en zien in gedachten de schaar in een flits (ook zo’n woord) zijn werk doen.

Cijfers

Heeft u ook het gevoel dat het cijfer 7 anders is dan 8?
Natuurlijk, het is een ander getal, maar ik bedoel anders ‘anders’. Afgezien van het feit dat de 8 rond is en de 7 scherp, roept 7 bij mij ook heel andere associaties op. Het is bijvoorbeeld niet deelbaar door een ander heel getal, want oneven.
Even getallen hebben voor mijn gevoel een evenwichtiger karakter.
Ik vind 7 en 5 onevenwichtige cijfers. En dan de 7 weer meer dan de 5, omdat 5 precies in het midden tussen 0 en 10 staat. De 7 staat een beetje verloren op de flank tussen twee deelbare getallen. Bij de 9 heb ik dat gevoel weer niet, omdat dat het resultaat is van drie keer drie en op de één of andere manier brengt dat een verrassende symmetrie.
En de 3? Die is natuurlijk, hoewel ook niet deelbaar, wel heilig.

Synesthesie

Misschien verslijt u mij nu voor niet helemaal goed snik.
Nou, wacht maar: het kan nog gekker.
Sommige mensen zien de 7 standaard in een andere kleur dan de 8. Voor hen is een cijfer direct verbonden met een bepaalde kleur. Altijd dezelfde kleur. En het is niet zo dat ze zich die kleur op de één of andere manier voorstellen, maar ze zien hem écht!
We noemen dit opmerkelijke verschijnsel synesthesie.
Deze term komt van het Griekse syn (samen) en aisthesis (waarnemen).

Het is niet ongewoon dat zintuiglijke waarnemingen elkaar beïnvloeden: een muziekstuk kan een ontroering oproepen, een geur een herinnering en we koppelen een stemming of emotie soms aan een kleur (we lopen een blauwtje of horen a ‘blue’ note). Maar dit vermogen is bij synesthesie dusdanig sterk dat mensen die daar gevoelig voor zijn kleuren proeven of geluiden zien.

Wat ik met de voorbeelden van ‘kiki’ en ‘bouba’ en de 7 en de 8 duidelijk wilde maken, is dat deze eigenschappen in meer of mindere mate bij velen van ons aanwezig. Maar daarmee zijn we nog niet allemaal hardcore synesthesisten.

Vormen van synesthesie

Eerst een beschrijving van het fenomeen: het openbaart zich in verschillende verschijningsvormen. De ene groep ziet getallen of letters in kleuren, maar er zijn ook mensen die een bepaalde emotie ervaren bij het voelen van stoffen. De stof van een spijkerbroek kan bij hen het gevoel van droefheid oproepen. De neuroloog Ramachandran* geeft het voorbeeld van iemand die subtiele gevoelsnuances waarneemt bij schuurpapier:

Schuurpapier met korrel 60 roept schuld op; met korrel 120 “het gevoel van een leugentje om bestwil te vertellen”.

Weer anderen hebben het vermogen bij een bepaalde klank een kleur te zien. Zo kan a-mineur klinken als violet. Het omgekeerde kan trouwens ook: de Finse componist Sibelius hoorde A-groot als hij iets blauws zag. Er zijn ook mensen die de verschillende weekdagen in een andere kleur zien, of bij wie gezichten juist kleuren oproepen.

De combinatie met kleur komt het meest voor, maar ook smaak- en reuksensaties zijn bekend; een musicus kreeg bijvoorbeeld bij bepaalde klankintervallen smaakgewaarwordingen. Bovendien blijkt uit onderzoek dat er sprake is van een genetische component. Er zijn families waarin het voorkomt. Van de Russisch-Amerikaanse schrijver Nabokov (bekend van de roman ‘Lolita’) is bekend dat hij zelf synesthesist was, maar dat gold ook voor zijn vrouw, zijn zoon en zijn moeder. En wie weet nog hoeveel voorouders.

Verband tussen cijfers en kleur

Ramachandran ontdekte dat het verband tussen cijfers en kleur (hij onderzocht overwegend deze groep synesthesisten) per proefpersoon verschilden. De verbanden lagen voor ieder individueel wel vast; eens een blauwe 5, altijd een blauwe 5, terwijl iemand anders altijd groen zag bij 5.

De kleurintensiteit kon wel verschillen. Een scherp afgedrukte 5 gaf een heldere kleur, een slordig krabbeltje een afgezwakte pasteltint. De kleuren traden niet op bij Romeinse cijfers. Daaruit valt te concluderen dat de kleur samenhangt met de specifieke vorm en niet het abstracte getal.

Als materiaal gebruikte Ramachandran en zijn team onder andere ‘pop-out’-tests. Hieronder zien we daarvan een voorbeeld. Deze test maakt het mogelijk om na te gaan of het effect echt berust op een perceptuele eigenschap.

synesthesie 1

Het bestaat uit een afbeelding met vijven en tweeën. Het verschil is voor de meeste van ons niet zo snel te zien, maar stelt u zich voor dat u – als hardcore synesthesist – de vijven in blauw ziet en de tweeën in rood.
Dan ziet het er zo uit:

synesthesie 2

Het mag duidelijk zijn dat de tweeën in de vorm van een driehoekje dan meteen in het oog springen. Iemand met synesthesie zal dat in één oogopslag zien. Ramachandran merkt over dit vermogen op, dat het

vermogen om op elkaar lijkende kenmerken te groeperen en apart te beschouwen, (…) misschien vooral (is) geëvolueerd om camouflage te kunnen doorzien en om verborgen voorwerpen in de buitenwereld te vinden.

‘Lekken’ van informatie?

Natuurlijk vroeg hij zich ook af waardoor het zou kunnen ontstaan. Om daar een antwoord op te vinden moeten we in de hersenen kijken en wel in een gebied dat fusiform gyrus heet. Dit speelt onder andere een rol bij gezichtsherkenning.
Hier vinden we ook een groep cellen die men aanduidt met de prozaïsche benaming V4. Dit gebied geeft informatie over kleuren door aan hogere kleurgebieden die zich bezighouden met de complexere vormen van kleurverwerking. Toevallig ligt in hetzelfde hersengebied ook een centrum dat numerieke berekeningen uitvoert. Numerieke berekeningen gaat in eerste instantie om het herkennen van de vormen van getallen.

Op onderstaande afbeelding zijn de twee gebieden in kaart gebracht. Achter ligt V4 (groen) en daarvoor (rood) het ‘getallencentrum’:

synesthesie 3

Zou het nu zo zijn dat er op de een of andere manier sprake is van ‘lekken’ van informatie van het ene deel naar het andere? Kan er sprake zijn van kruisverbindingen, of, wat misschien beter is, kruisactivatie? Misschien is er bij synesthesisten sprake van een groter aantal verbindingen tussen verschillende delen in de hersenen, waardoor er ook meer grensoverschrijdend verkeer mogelijk is.

Kunstenaarsbrein?

Zou dit dan ook een verklaring kunnen zijn voor het gegeven dat we synesthesie vaker zien bij kunstenaars? Daarmee steekt de discussie over de kip of het ei ineens weer de kop op. Want zijn zij kunstenaar, omdat ze een overdaad aan verbindingen hebben tussen verschillende centra in de hersenen en daardoor beter in staat zijn metaforen en abstracte symbolen te hanteren? Of is het omgekeerde het geval: zijn die verbindingen ontstaan doordat zij werken met metaforen en abstracte symbolen?

Er schuilt in de meesten van ons wel een rudimentaire synesthesist, maar dit blijft meestal aan de oppervlakte. Echte synesthesisten duiken aanzienlijk dieper en zien vreemdere vissen voorbij zwemmen.

*Ramachandran, V.S. (2010). 
  Zo werkt ons brein echt: Wat fouten in de hersenen ons leren. 
  Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen

Geplaatst in kleur, onderzoek, psychologie, waarneming | Tags: , , , , , | 1 reactie

FORMULA ONE DESIGN

Het Haagse Louwman Museum toont momenteel een aantal McLarens. Het roemruchte Britse merk is vooral bekend van de formule 1-wagens waarin onder andere Prost, Senna en (meer recent) Hamilton wereldkampioenen werden.
De expositie toont zestien wagens uit de periode 1971 tot en met 2016 en geeft een fraai overzicht van de raceauto’s en high-performance sportscars.
Achtien jaar in twee foto’s samengevat:

01 heldere strakke lijnen
1990: heldere, strakke lijnen van de McLaren MP 4/5
01 barokke overdaad
2008: barokke overdaad van de McLaren MP 4/23

In oktober 2013 schreef ik voor de Engelstalige website 8W.forix.com een artikel
THE 1970S: TRIAL AND ERROR IN FORMULA ONE DESIGN
De jaren zeventig van de vorige eeuw waren – behalve zeer gevaarlijke (vaak dodelijke) jaren in de Formule-1 – ook zeer interessant op het gebied van technische innovatie en verrassende ontwerpen. Constructeurs werden nog niet gestuurd door het dictaat van niet aflatende windtunneltesten. Hun ontwerpen waren gebaseerd op ervaring in combinatie met intuïtie en natte-vinger-werk: zeswielers zagen het levenslicht, turbinewagens zoefden over de circuits, vierwiel-aangedreven experimenten maakten hun opwachting.
Niet dat die experimenten de heilige graal bleken te zijn.

Dat was aan eind van het deccennium weggelegd voor Lotus met de vleugelwagen. Dit concept zou daarna maatgevend worden in de racerij. Tegelijk zorgden de Lotus 78 en 79 ervoor dat vanaf begin jaren tachtig de wagens steeds meer op elkaar gingen lijken. Er is nu eenmaal maar één manier waarop de wetten van de aerodynamica optimaal in je voordeel werken.
Daarmee waren de jaren van 1970 to 1979 een opvallende, bijna vrijzinnige tijd in technisch opzicht tussen de jaren zestig waarin de eenvormige sigaarvormige bolides de toon zetten en de jaren tachtig waarin de vleugelwagen tot nagenoeg identieke ontwerpen leidde.

Geplaatst in esthetiek, geschiedenis, ontwerpen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

UNIVERSELE EN ULTIEME SCHOONHEID?

Mooie mensen hebben meestal een streepje voor. We gaan er namelijk van uit dat aantrekkelijke personen interessanter, warmer, aardiger en socialer zijn. Dit heet het halo-effect, het verschijnsel waarbij de aanwezigheid van een bepaalde kwaliteit bij de waarnemer de suggestie wekt dat andere kwaliteiten ook automatisch aanwezig zijn.

Of dat echt zo is, is natuurlijk de vraag.
Daar komt nog wat bij: wat ‘men’ mooi vindt, is namelijk ook cultureel bepaald: er zijn tal van subculturen die ieder weer hun eigen schoonheidsideaal hebben.
Bovendien blijkt dat ideaalbeeld door de tijd veranderen.

Om een voorbeeld te geven: aan het Franse hof van Lodewijk XIV was het bepaald niet bon ton om in de zon een lekker bruin kleurtje op te doen. Daarmee gaf je namelijk aan buiten, op het veld te werken. Met andere woorden: je was een boer of landarbeider. Daar wenste de koning en zijn hofhouding zich uiteraard niet mee te associëren.
Werken was sowieso niet besteed aan de toenmalige adel.

Nog zoiets: ooit was een zekere mate van corpulentie ‘in’. Wie een buikje had gaf daarmee aan welvarend te zijn en zich een zekere mate van luiheid te kunnen veroorloven. Met de grote nadruk op gezond leven is een buikje vandaag de dag steeds minder een aanbeveling, waarmee het als schoonheidsideaal heeft afgedaan.

Universele schoonheid?

Fysieke schoonheid was ook verbonden met ras. Het blanke ras beschouwde zichzelf lange tijd als superieur. Het westerse schoonheidsideaal was dan ook bepalend voor wat ‘men’ als mooi beschouwde en dat werkte weer door in het beeld dat vrouwen in Azië en Afrika als ideaal voor ogen hielden.

De Japanse fotograaf Akiro Gomi wilde daar niet in mee gaan. Hij trachtte met zijn portretten de ‘universele schoonheid’ presenteren. Dat deed hij zo:

7akira
Universele schoonheid op basis van gemiddelde gezichten volgens de Japanse kunstenaar Akira Gomi / bron: http://untitledhelena.blogspot.nl/2010/02/akira-gomi.html

In de eerste en laatste kolom zien we de drie vrouwen waar de tussenliggende portretten uit zijn samengesteld; in de middelste kolom de tussenvormen. Door te ‘middelen’ verdwijnen de uitgesproken kenmerken of karakteristieken van de blanke, negroïde en oosterse vrouwen en ontstaat in de opvatting van Gomi ‘universele schoonheid’. Bovendien maakt het gezichten symmetrischer en dat zou bijdragen aan de aantrekkelijkheid.

Schoonheid en kunst

Kunstenaars hebben zich altijd al beziggehouden met het abstracte begrip ‘schoonheid’.
Het online woordenboek van Van Dale houdt het op:

1 de eigenschap mooi te zijn
2 (meervoud: schoonheden) iets moois: zij is een schoonheid!

Portretschilders waren (en zijn) er vaak op uit de geportretteerde zo geflatteerd mogelijk op papier of doek te krijgen. In de tijd dat fotografie nog niet bestond had dat ook een praktische reden. Jongedames uit betere kringen moest men aan de man brengen. Liefst aan heren uit families die de zakelijke of imperiale belangen versterkten. Portretten vervulden de rol van pasfoto. Huwelijkskandidaten zagen elkaar soms tot kort voor hun huwelijk niet.

Een beetje portretschilder moest daarom wel de beste kanten van zijn model laten zien. Tegelijkertijd moest hij niet overdrijven. Dat zou alleen maar schaden, zeker in dit soort delicate aangelegenheden. De geliefden moesten bij kennismaking niet het idee krijgen dat de geportretteerde een heel ander persoon was dan die welke zij in het echt voorgeschoteld kregen.

Ultieme schoonheid?

Wat is schoonheid? En bestaat er zoiets als ultieme schoonheid? Als we beide definities van Dale als uitgangspunt nemen, valt ‘ultieme schoonheid’ dan te definiëren als de optelsom van alle schoonheden en kunnen we daar dan het gemiddelde van nemen?

Hoe ziet dat er dan uit?
Moet ik me daarbij iets voorstellen als in het portret hieronder van computer- en videokunstenaar Micha Klein?

Klein fotografeerde zeven modellen en scande de portretten met de computer. Op de gescande foto’s trok hij lijnen om de belangrijkste gezichtskenmerken. Vervolgens liet hij een computerprogramma de aangestipte kenmerken van de portretten berekenen en vergelijken. Het programma nam vervolgens de gemiddelden van de gezichtparameters en bouwde hieruit een nieuw portret op basis van twee modellen, zoals hier is te zien:

2modellen

2beauty

Micha Klein, Exemplaar uit de ‘Artificial Beauty Series’ en de twee oorspronkelijke portretfoto’s (bron: NRC 9.1.1998)

Het resultaat is een ‘gemiddeld supermodel’. Zelf zegt hij hierover:

‘Fotomodellen beantwoorden al aan een bepaald soort perfectie. De afstand tussen de ogen, de vorm van de neus en al dat soort verhoudingen lijken op elkaar. Door de meisjes met elkaar te kruisen ontstaat er een verdichting van de schoonheid’.

Resulteert deze ‘verdichting van de schoonheid’ ook echt in ultieme schoonheid?

Op het eerste gezicht wel. Maar wie beter kijkt zal snel merken dat er iets vreemds aan de hand is. Het resultaat is eerder een vorm van ultieme leegheid: een klinische, karakterloze schoonheid.

Wat we missen is ‘smoel’; persoonlijkheid. Hierdoor zijn de ‘portretten’ inwisselbaar. Wie er één ziet, krijgt al snel het idee ze allemaal gezien te hebben. Door het ontbreken van uitgesproken karakteristieken lijkt het of deze portretten zich geen permanente plaats kunnen verwerven in ons geheugen.

Micha-Klein-Bliss-origineel-fotografie-1998-150x150cm-Olpage3-Euro12500-jpg-1430749927-0_full

Micha Klein, ‘Bliss’ uit de ‘Artificial Beauty Series’, 1998 (Groninger Museum)
Bron: http://www.kunsthuizen.nl/kunstwerken/micha-klein-bliss-fotografie-0

Door deze inwisselbaarheid gaat ‘ultieme schoonheid’ snel vervelen. Juist een zekere mate van imperfectie en onregelmatigheid fascineert. Waarschijnlijk omdat het de suggestie van perfectie en regelmatigheid aanstipt, maar niet geeft, zodat de toeschouwer wel een hint krijgt, maar nooit het bevredigende volledige antwoord. En zoals iedere kunstenaar weet, is het nu juist de kunst iets over te laten aan de fantasie van de toeschouwer.

Ook Klein weet dat.
Hij beweert meer te willen dan het tonen van gemiddelde aantrekkelijke gezichten. In een commentaar op zijn werk meldt hij:

‘Ik heb het schoonheidsideaal over de top willen tillen. Schoonheid is zo clichématig. Dezelfde dingen worden altijd weer als mooi ervaren. […] Het heeft ook iets hysterisch om zeventien keer naar een plastisch chirurg te gaan. Om een nieuwe neus te nemen als je uitgekeken bent op de laatste. Dat proces wil ik naar een logische conclusie leiden. De schoonheidscultus heft zichzelf uiteindelijk op. Sommige mensen zullen lelijk willen zijn, om maar anders te zijn’.

Geplaatst in beeldende kunst, cultuur, esthetiek, expressie, lichaamstaal, persoonlijkheid | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

SCHILDERIJ vd MAAND 17/07

Onder de titel ‘Schilderij van de Maand‘ zet BEELDTAALBLOG maandelijks een schilderij in de etalage om daarmee een virtuele galerie samen te stellen. Het gaat daarbij soms om schilderijen die onder de radar van de ‘grote’ kunstgeschiedenis zijn gebleven; minder bekende meesterwerken die de moeite van het bekijken echter meer dan waard zijn.

Toevallig kreeg ik enige tijd geleden in een nieuwsbrief van Artdaily.com dit werk onder ogen:

Caffi 01

Het is van Ippolito Caffi, een Italiaans schilder die leefde van 1809 tot 1866.
Volgens Artdaily  luidt de titel ‘The Canal Grande in Venice seen from the Ponte dell’Accademia, with Santa Maria della Salute’ en gaat het om een olieverfschilderij op doek. Het werkje meet 47 bij 61 centimeter.

Hoewel ik nog nooit van Caffi had gehoord, sprak (de afbeelding) van dit schilderij me meteen aan. Om te beginnen door de kleuren van de achtergrond. Daarnaast speelt Caffi een prachtig spel met licht en donker. De zon schijnt voluit en rondborstig op de huizen aan de linkerkant. Ook op het water valt zonlicht, waardoor het lijkt alsof er een spotje op schijnt. De huizen aan de rechterkant staan juist in de schaduw en daardoor komen de verlichte gevels aan de overzijde nog eens extra zonnig over.
Maar vooral de achtergrond is schitterend: de in grijze tinten geschilderde Santa Maria della Salute is in paarsblauwe mistflarden gehuld. Door de wind en de ochtendzon lost de mist langzaam op en zien we het heldere blauw van de lucht doorkomen.
De kunst van het verhullen en onthullen.

Wie was Ippolito Caffi?
Hij werd geboren in Belluno, een plaatsje 100 kilometer ten noorden van Venetië. In die plaats ging hij rond 1830 naar de academie. Vervolgens ging hij naar Rome en verwierf enige faam door zijn behandeling van het perspectief en zijn werk van Romeinse archeologie.  In 1843 volgde een reis door Griekenland, Constantinopel, Syrië en Egypte.

Hij zou vooral bekend worden door zijn schilderijen waarin hij geraffineerde effecten met licht en atmosfeer combineerde met een nauwgezette weergave van architectonische details. Dat zien we op het hierboven, waarin de mist en het zonlicht (verhullen en onthullen) voor veel kijkplezier zorgt.
Maar speciale lichteffecten laat hij zeker ook zien in dit werk:

Caffi 02

Ippolito Caffi (1809 – 1866)
Nocturnal Celebrations in Via Eugenia at Venice (1840)
Olieverf op doek (27 x 44 cm)
Galleria internazionale d’arte moderna, Venetië

Hier strijden kunst- en maanlicht om de aandacht. De linkerkant van het gebouw staat in een warme oranje-gele gloed waardoor het bijna lijkt alsof het in brand staat. Op de rechterkant schijnt het koude licht van de maan.
De voor- en achtergrond zijn in donker gehuld en laten nauwelijks details zien. Het effect op dit schilderij is nog spectaculairder dan op het eerste doek, dat veel meer gekenmerkt wordt door een ochtendstemming waarin stilte en rust overheersen.

Caffi was zeer betrokken bij de Italiaanse onafhankelijkheidsstrijd tegen Oostenrijk. In 1866 wilde Caffi als oorlogsschilder verslag doen van de slag bij Lissa (1866) op de Adriatische Zee ten tijde van de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog, waarin Italië een alliantie met Pruisen was aangegaan, met als hoofddoel het veroveren van de regio Veneto (waartoe Venetië behoort) op Oostenrijk. Het marineschip waarop hij zich bevond zonk en Caffi vond, net als veel bemanningsleden de dood in de golven.

Geplaatst in beeldende kunst, kleur, licht, schilderij vd maand | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

THE ART OF CAMOUFLAGE

camouflage

Afbeelding | Geplaatst op door | Tags: | Een reactie plaatsen

SCHILDERIJ vd MAAND 17/06

Onder de titel ‘Schilderij van de Maand‘ zet BEELDTAALBLOG maandelijks een schilderij in de etalage om daarmee een virtuele galerie samen te stellen. Het gaat daarbij soms om schilderijen die onder de radar van de ‘grote’ kunstgeschiedenis zijn gebleven; minder bekende meesterwerken die de moeite van het bekijken echter meer dan waard zijn.

En om maar meteen met de deur in huis te vallen: mijn schilderij van de maand juni is gemaakt door de Engelse schilder Edward Wadsworth (1889–1949).

Wadsworth - Dazzle ship

Edward Wadsworth (1889–1949)
Dazzle-ships in Drydock at Liverpool (1919)
Olieverf op doek (304 x 244 cm)
National Gallery of Canada, Ottawa

Dit schilderij geeft een boeiend inzicht in de wereld van de razzle dazzle; de camouflagetechniek die gebruikt werd tijdens de Eerste Wereldoorlog voor schepen op volle zee.
Over razzle dazzle schreef ik eerder:

‘De filosofie achter deze vorm van camouflage was dat er niets onzichtbaar te maken was aan een schip op volle zee. Je kon de vijand ook niet letterlijk verblinden, maar wel proberen door de omtrek van het schip als het ware in stukken te breken, de vorm van het schip dusdanig onsamenhangend te maken, dat het moeilijk – liefst natuurlijk onmogelijk – zou zijn om de grootte, snelheid en richting van het schip in te schatten.
De beschildering was er dan ook op gericht de indruk te wekken dat het ging om los van elkaar staande elementen in plaats van één geheel.’

Dat zag er in het echt bijvoorbeeld zo uit:

dazzle ship 1

Wadsworth was betrokken bij het ontwerpen van de beschilderingen van de Engelse vloot. Daarmee was hij één van de vele kunstenaars die deel uitmaakte van de camouflage-afdelingen van de strijdende partijen. Hij was als kunstenaar een vertegenwoordiger van het vorticisme; een Engelse stroming die nauw verwant was aan het kubisme.

Wat het schilderij vooral zo interessant maakt is het contrast tussen de vier schilders in hun rode omgeving, die vrijwel in het niet vallen ten opzichte van het gigantische schip dat ze aan het beschilderen zijn. Hoe nietig ook; het grappige is dat ze tegelijk zeer nadrukkelijk aanwezig zijn.
Ze zijn de enige levende wezens in een omgeving die bestaat uit steen en staal.

We kijken van grote afstand op hen neer. Om hen heen zien we een tamelijk abstracte en vooral kubistische wereld. Het dok waar de schepen in liggen bestaat uit horizontale en verticale rechte lijnen; het is alles recht wat de klok slaat. Ook in de achtergrond heerst de industriële wereld met fabrieken, olietanks en wat al niet meer. Zelfs de lucht is industrieel grijs.
Toch is er in al dat grijs een fascinerend leidend en kleurig accent: links vanuit de boeg verrijst een opvallend metalen buis. De functie hiervan is mij niet duidelijk. Het is in ieder geval geen anker. Volg je die buis, dan wordt het oog naar boven geleid en daar sluit het rood naadloos aan op weer een andere rode constructie in de achtergrond die het verbindt met de olietanks.
Zo ontstaat als het ware een ‘rode draad’ door het wit, grijs en zwart van het schilderij.

De machtige boeg van het schip is in dit alles ook een bijzonder element. De vorm lijkt zich letterlijk op te lossen in een niet nader te definiëren patroon; precies wat razzle dazzle beoogde. Wadsworth’s manier van schilderen is heel droog; precies, rechttoe rechtaan en ontdaan van iedere persoonlijke of emotionele toets. Het past daarmee perfect bij de industriële wereld die hij weergeeft.

Natuurlijk was het bij het ontwerpen van dit soort camouflage alleen maar een voordeel om bekend te zijn met de kubistische vormtaal. Kubisten schiepen een – zeg maar – multidimensionaal wereldbeeld. In het werk van Picasso en Braque waren zowel voor- als zijkanten van mensenhoofden, appels, gitaren en landschappen te zien. Zij fragmenteerden de werkelijkheid, schiepen nieuwe, complexe perspectieven en beoogden daarmee een totaalbeeld te laten zien. Ook in de werken van Picasso en Braque speelden kleuren aanvankelijk geen grote rol.

Daarom laat ik ter afsluiting nog een paar werken in zwart-wit zien van Wadsworth. Al was het maar om te laten zien dat in ieder geval in de ideale wereld van de houtsnede de razzle dazzle een bijzonder effectieve vorm van camouflage is.
Bovendien zijn het ook nog eens mooie prenten.

dazzle ship

dazzle ship drydock

 

Geplaatst in beeldende kunst, camouflage, geschiedenis, kleur, schilderij vd maand | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen