SCHILDERIJ vd MAAND 18/03

Onder de titel ‘Schilderij van de Maand‘ zet BEELDTAALBLOG maandelijks een schilderij in de etalage om daarmee een virtuele galerie samen te stellen. Het gaat vaak om schilderijen die onder de radar van de ‘grote’ kunstgeschiedenis zijn gebleven; minder bekende meesterwerken die de moeite van het bekijken echter meer dan waard zijn.

Georges Braque was, samen met Pablo Picasso, grondlegger van het kubisme. In de schilderijen die rond 1910 ontstonden vertonen zij zowel in onderwerp, werkwijze als benadering veel overeenkomsten.

Het lijkt er soms op dat Braque gedurende zijn leven in de gigantische slagschaduw heeft gestaan van Picasso. Maar dat is niet terecht. Braque is als schilder groot genoeg en heeft een overtuigend stempel op de 20ste eeuwse schilderkunst gedrukt.

Het is echter een feit dat Picasso een meer tot de verbeelding van het grote publiek sprekend schildericoon was dan Braque. De flamboyante Spanjaard bleef zichzelf steeds vernieuwen en leek de schilderkunst voortdurend opnieuw ‘uit te vinden’.
Braque bleef zijn hele leven in de buurt van de erfenis van Cézanne. Dat maakte hem in de ogen van de avant-garde op den duur een ouderwetse schilder.

Braque 2

Georges Braque (1882 – 1963)
Het atelier (1939)
olieverf op doek
Metropolitan Museum of Art, New York

In het schilderij ‘Het atelier’ zien we dat Braque het palet met overwegend aardekleuren en grijzen van het ‘klassieke’ kubisme heeft ingeruild voor levendiger kleurgebruik. Gebleven is het spel met perspectief.

De nadruk in dit werk ligt niet op de dieptewerking, maar op decoratieve (kleur)vlakken en structuren. Die zet hij in dit werk naast elkaar en zijn duidelijk van elkaar te onderscheiden. Dat geeft het schilderij een heldere opbouw die gekenmerkt wordt door een verdeling in verticale banen.

Bruintinten spelen nog steeds een belangrijke rol, vooral in de weergave van houten voorwerpen die het beeld domineren. Ook zijn de meeste kleuren nog steeds gedempt van toon, maar hier en daar vinden we opvallende kleuraccenten, zoals het oranje vlak in de rechterbovenhoek. Denk het weg en het doek wordt een stuk minder stralend.

Door het complementaircontrast versterkt het ook het blauw eronder en in het venster. Merk verder op dat het beeld bestaat uit een lichte en een donkere helft. Rechts domineren de heldere tinten, terwijl links de koelere kleuren overheersen. Door linksonder het oranje terug te laten komen verbindt de schilder beide helften en benadrukt hij de eenheid van het werk.

Violin_and_Candlestick

Georges Braque (1882 – 1963)
Violen en kandelaars (1910)
olieverf op doek (61 x 50 cm)
San Francisco Museum of Modern Art

De eerste kubistische werken van zowel Braque als Picasso kenmerkten zich door veel grijze en bruine tinten. De nadruk lag immers vooral op de ruimtewerking en een spel met perspectief (simultaan perspectief). Een overdaad aan kleur zou dan alleen maar afleiden. Dit zien we in het bovenstaande stilleven uit 1910.

Advertenties
Geplaatst in beeldende kunst, esthetiek, schilderij vd maand | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

HET BEDROGEN OOG

Kijk:
simultaan copy
Het grijze vlakje in het midden is in alle vier gevallen even grijs. Maar we zien verschillen. Dit heeft te maken met de context. Naarmate de omgeving donkerder is, zal het grijs lichter ogen. En omgekeerd donkerder.
We noemen dit licht-donkercontrast.
Het geeft aan dat onze waarneming vooral gevoelig is voor de verschillen tussen (in dit geval) grijswaarden. Die waarneming vindt trouwens plaats in onze hersenen. Onze ogen fungeren alleen maar als opnameapparatuur. Ons brein is niet geïnteresseerd in absolute lichtwaarden, maar beziet de werkelijkheid in samenhang met allerlei factoren.

Cornsweet-illusie

Ik gebruik het simultaancontrast als een voorzetje om de Cornsweet-illusie te introduceren.

cornsweet 2

Deze illusie is genoemd naar Tom Cornsweet, die dit fenomeen eind jaren zestig van de vorige eeuw beschreef. We zien twee vlakken waarvan de bovenste aanzienlijk donkerder is dan het onderste.
Simpel. Dat ziet iedereen.
Of toch niet?
Kijk wat er nu gebeurt:

oie_oie_animation

Er bestaat helemaal geen verschil. Wat we ervaren als verschil heeft te maken met de lichte en donkere randen. En toch, als het grijze vlakje weg is, zien we duidelijk het verschil. En niet zomaar een verschílletje; nee, een overduidelijk, hemelsbreed verschil. Het verschijnsel speelt zich dus niet af op het scherm, maar ergens tussen onze oren.

Randen als informatie

Wat de Cornsweet-illusie laat zien dat ons brein randen gebruikt om informatie over de (licht)waarden van een vlak te bepalen: de licht- of donkerheid van het vlak gaat leidzaam mee met de waarden van de contouren.
Dit hangt samen met de vraag hoe we objecten waarnemen. Gaan we uit van de contour of het silhouet? Indien het de contour is, vullen we dan wat binnen die randen valt in? Of zien we eerst het silhouet en bepalen we aan de hand daarvan de contour?

Onderzoek laat zien dat het eerste het geval is. Het zou kunnen dat dit ons helpt om voorwerpen te onderscheiden onder slechte lichtomstandigheden: we gaan uit van de rand en vullen de rest vanzelf aan.
In het geval van de Cornsweet illusie trekt ons visuele systeem de informatie van de randen als het ware door naar de rest van het object. Contouren duiden op overgangen. Een egaal vlak heeft weinig informatieve waarde. Verrassingen (vrienden, vijanden, jagers en gejaagden) houden zich schuil achter ‘vlakken.’ Vlakken die begrensd worden door contouren.

De cornsweet-illusie en het licht-donkercontrast laten eigenlijk twee verschillende kanten van dezelfde medaille zien. Het is duidelijk dat in beide gevallen de context een bepalende rol speelt in hoe we lichtwaarden waarnemen. Maar hoe deze zich tot elkaar verhouden is nog niet helemaal duidelijk.

Geplaatst in licht, schaduw, visuele illusie, waarneming | Tags: , , , , | 1 reactie

SCHILDERIJ vd MAAND 18/02

Onder de titel ‘Schilderij van de Maand‘ zet BEELDTAALBLOG maandelijks een schilderij in de etalage om daarmee een virtuele galerie samen te stellen. Het gaat vaak om schilderijen die onder de radar van de ‘grote’ kunstgeschiedenis zijn gebleven; minder bekende meesterwerken die de moeite van het bekijken echter meer dan waard zijn.

Ruskin Spear - Sid James

Ruskin Spear (1911 – 1990)
Sid James (1962)
Olieverf en collage op doek (122 x 91 cm)
National Portrait Gallery, Londen

Weleens van Ruskin Spear gehoord? Waarschijnlijk niet. Spear (1911 – 1990) was één van die kleinere meesters die lokaal bekendheid genoot, maar buiten Engeland nauwelijks naam maakte.
Maakt dat het werk van Spear minder interessant?
Nee, bepaald niet. Hij was niet alleen een prima vakman die als portrettist zijn mannetje stond, maar is ook de aartsvader van de Britse popart.

Het Britse filiaal van wat wereldwijd als popart bekend staat, dankt zijn faam vooral aan schilders als Peter Blake, David Hockney en Allan Jones. Zij baseerden zich op de populaire cultuur, de opkomende popmuziek en maakten in hun werk gebruik van beelden uit de reclame, populaire tijdschriften, plakplaatjes en verpakkingsmaterialen. Peter Blake (1932) schilderde in 1961 dit ‘Self-Portrait with Badges’ en vat daarin vrijwel alle elementen van de Britse popart samen.

peter blake - self-portrait with badges (1961)

Peter Blake (1932)
Self-Portrait with Badges (1961)
Olieverf op paneel (174 X 122 cm)
Tate Gallery, Londen

Blake, Hockney en Jones hebben niet alleen de popart met elkaar gemeen, maar hadden ook les aan het Royal College of Art in Londen. En daar was één van hun docenten Ruskin Spear die van 1948 tot 1975 verbonden was aan het RCA.

Het schilderij van Spear waarmee ik dit artikel begon, stamt uit dezelfde periode als het zelfportret van Blake. Sid James (geboren als Solomon Joel Cohen; 1913 – 1976) was een Britse acteur. James is geportretteerd als de televisiepersoonlijkheid die hij was.
Zoals het beeld op een televisiescherm plat is, zo is ook in het schilderij iedere suggestie van lineair perspectief achterwege gelaten. We kijken van boven op de salontafel, waarop een asbak en echte brieven en tijdschriften liggen. Diepte en schaduw worden wel gesuggereerd, maar de ruimte lijkt eerder opgebouwd uit decorstukken waarin het lichte (zwart-wit) televisiescherm de blikvanger bij uitstek is.

We kunnen ons voorstellen dat we niet alleen naar een schilderij kijken, maar ook op de bank zitten en toeschouwers zijn van een televisieoptreden. Spear speelt hier een spel van realisme, suggestie, en illusie. En hij bedient zich van dezelfde attributen als Blake in zijn zelfportret.

Spear woonde en werkte zijn hele leven in Londen. Veel voorkomende thema’s zijn mensen in de pub en allerhande alledaagse gebeurtenissen, stadsgezichten en uitstapjes naar het strand. In zijn karakterisering van mensen kon hij scherp en humoristisch zijn. Typisch Brits zou je kunnen zeggen, alsof je een aflevering van Coronation Street binnenstapt (ware het niet dat deze serie zich ergens in Manchester schijn af te spelen).

Illustratief is dit schilderij:

ruskinspear_1360989c

Ruskin Spear (1911 – 1990)
A night out for Muriel (1984)
Olieverf op paneel (101 x 76 cm)
Particuliere collectie

Ook in dit werk laat Spear diepteaanwijzingen nagenoeg achterwege. Alles lijkt opgeofferd aan decoratieve elementen. Het affiche trekt vanzelf alle aandacht, alsof de rest van het schilderij enigszins in een mist gehuld lijkt. Muriel heeft speciaal voor de gelegenheid haar jas met bontkraag aangetrokken en is nog even naar de kapper geweest. Toch lijkt zij, tussen de affiches en het schilderijtje, op te lossen in de patronen van het behang achter haar. Muurbloempje bij uitstek?
Misschien dat daarom de toekan ‘Watch the birdie’ roept? Als teken dat we even stil moeten zitten, omdat de fotograaf/schilder zo afdrukt en daarmee alles voorgoed vastlegt? Ook Muriel die ons goedig toelacht.

Geplaatst in beeldende kunst, diepte, ruimte, schilderij vd maand | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

HET LEZENDE BREIN

De ‘Nationale Voorleesdagen’ zijn vandaag begonnen en duren t/m 3 februari. ‘Voorlezen aan kinderen is belangrijk’, zo lees ik in het persbericht: ‘Het prikkelt de fantasie, ontwikkelt het taalgevoel, vergroot hun woordenschat en draagt bij aan hun interactieve vaardigheden. Maar bovenal bezorgt het hun heel veel plezier!’

Gedoe van jewelste

Wat gebeurt er eigenlijk als u (voor)leest? Het zorgt, om te beginnen, voor een gedoe van jewelste in uw hoofd. Daar merkt u – als het goed is – niets van. De meeste processen die erbij betrokken zijn verlopen namelijk automatisch en op de achtergrond. Dat neemt niet weg dat sommige teksten wel hoofdpijn kunnen veroorzaken, maar dat heeft meestal minder met het lezen als bezigheid zelf te maken. Dat ligt eerder aan de inhoud van wat we lezen.

Woordbeelden

Lezen is – eenmaal geleerd – meestal een fluitje van een cent. Hooguit moet u bij een moeilijk of onbekend woord wel eens moeite doen dit te ontcijferen. Het is niet uitgesloten dat u dan even het woord letter- voor lettergreep moet proeven, voordat u het in één hap kunt verwerken. Dat laatste doen we namelijk met de meeste ‘normale’ woorden. We herkennen het woord in één oogopslag. We spreken niet voor niets van een woordbeeld.

Vandaar dat we (na enige oefening) ook uit de voeten kunnen met dit soort ‘teksten’:

moeilijk plaatje

Indien we letter-per-letter zouden lezen, dan zou het lezen van een boek ook een bijzonder tijdrovende bezigheid zijn. Bovendien bestaat de kans dat we aan het eind van de zin vergeten zijn waar het allemaal mee begon.

Woorden lezen en woorden horen

Wat uw brein doet verschilt bij de lezer en degene die voorgelezen wordt. Bij het horen zijn het vooral gebieden aan de zijkant, in de zogeheten temporale lob, die oplichten bij een MRI-scan. Hier zitten de centra voor het gehoor en de spraak. Bij het lezen zien we vooral veel activiteit in de achterzijde van de hersenen (de occipitale lob) waar informatie uit het oog naartoe gaat. Op de afbeelding hieronder is dat verschil goed te zien.

woorden horen

woorden lezen

De arbeidsverdeling van het lezende brein kunnen we ongeveer als volgt omschrijven:
de occipitale lob (achterzijde) verwerkt de visuele informatie die bestaat uit letters en (lees)tekens. De frontale lob interpreteert de inhoud van de tekst en zorgt voor het overzicht. Ook brengt het de inhoud in verband met informatie die eventueel al is opgeslagen. Als er al informatie aanwezig is, zal een tekst veel makkelijker te begrijpen en vlotter te lezen zijn. Ook voorkennis helpt. Als we weten wat we ongeveer kunnen verwachten, is het ook mogelijk te anticiperen op de tekst.

Automatismen

Leren lezen is een gecompliceerd proces. Het is eerder een wonder dat mensen dit in zo korte tijd onder de knie krijgen dan een vanzelfsprekendheid. Het gaat om het ontwikkelen van automatismen. In dat opzicht verschilt het niet veel van lopen, oog-handcoördinatie, zindelijkheidstraining en al die andere dingen die we ons in de loop van ons leven hebben eigen gemaakt. Een belangrijk verschil met bijvoorbeeld lopen (en – niet te vergeten – kijken) is dat we hebben leren lezen in een periode dat we daar (hoe fragmentarisch en summier soms ook) wel enige herinnering aan hebben.

Als we lezen, roepen letterbeelden wel klanken op. Omgekeerd roepen klanken echter geen letterbeelden op. Het woord ‘kat’ roept niet de letters K-A-T op; wel een beeld van een harig, niet al te groot, vierpotig zoogdier, met puntige oren en een staart dat zich nagenoeg geruisloos kan voortbewegen.

Onze zintuigen functioneren niet los van elkaar. Het lezende brein kent een intensief verkeer tussen de verschillende hersengebieden. Dat is kenmerkend voor de complexiteit van de taak. Niet alleen verschillende hersendelen, maar ook verschillende zintuigen moeten met elkaar samenwerken om een zinvol resultaat te bereiken.

Geplaatst in onderzoek, psychologie, taal, waarneming | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

EN ER WAS LICHT

Alles begint met licht.
Dat lezen we al in het Oude Testament:

En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.
En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.
En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht.
Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.

Met het ontsteken van de lichten was het toneel gereed voor de opvoering…
Een beetje raar eigenlijk. Want we moesten nog een paar scheppingsdagen wachten op de zon, de maan en de sterren. Je zou verwachten dat het met het scheppen van de zon en de sterren de lichtvoorziening automatisch geregeld was.
Dus zou het niet meer voor de hand gelegen hebben om die klus eerst te klaren?
Maar goed, wie ben ik om me met zoiets gecompliceerds als ‘De Schepping’ te bemoeien?

Hoe dan ook, daarna volgden de decors en de figuranten in de vorm van planten en dieren en tot slot de hoofdrolspelers: wij.

De meeste andere godsdiensten beginnen de schepping ook met de scheiding tussen licht en duister. Dat heeft niet alleen een natuurkundige betekenis, maar vooral een psychologische. Licht is goed; het duister staat symbool voor het kwaad dat zich nu eenmaal bij voorkeur in de nacht afspeelt.
Door de komst van de kunst- en straatverlichting spreekt de nacht voor de moderne mens minder tot de verbeelding dan voor mensen die voor de Industriële Revolutie leefden. Toch geldt ook voor ons het duister als keerzijde van de dag en roept de nacht nog steeds een gevoel van onbehagen op. Misdaden en andere duistere zaken spelen zich bij voorkeur in de nacht af.

Kunst en licht

De zon was lang onze belangrijkste en vrijwel enige lichtbron. Vroeger werden ’s nachts wel kaarsen, olielampen en vuur als lichtbronnen gebruikt, maar kaarsen waren duur en het licht ervan beperkt. Tegenwoordig beschikken we over elektrisch licht en zijn we steeds minder afhankelijk van de zon.

Hoewel we er nauwelijks bij stilstaan, heeft het gebruik van straatverlichting en kunstlicht in binnenruimten een complete cultuurverandering teweeggebracht. Leven en werk werden vroeger in hoge mate bepaald door de zon. Een 24-uurs economie was tot in de 19e eeuw onmogelijk, omdat deze afhankelijk is van de mogelijkheid om dag en nacht te produceren en consumeren. Dat werd pas mogelijk met de opkomst van kunstmatige lichtbronnen die voldoende sterk waren om (fabrieks)hallen te verlichten.

Licht vormt een belangrijk, om maar niet te zeggen onontbeerlijk, element in de schilderkunst. Toch was het pas in de 16e eeuw, gedurende de periode die we nu barok noemen, dat schilders zich intensief bezig gingen houden met de dramatische en expressieve kwaliteiten van licht.

De grote wegbereider was natuurlijk Carravagio (1571 – 1610). Hij is de geschiedenis ingegaan als schilder van het clair-obscur, het dramatische licht-donkercontrast, dat zijn figuren in theatrale lichtbundels laat opdoemen tegen een duistere achtergrond.

1082px-Michelangelo_Caravaggio_040

Carravagio (1571 – 1610)
De roeping van Matteüs (ca. 1600)
Olieverf op doek (322 x 340 cm)
Contarelli Chapel, San Luigi dei Francesi, Rome 

Een voorbeeld is het schilderij ‘De roeping van Matteüs’ uit 1660.
We zien het interieur van wat waarschijnlijk een kroeg is. Aan tafel zitten de belastinginner Levi (die later de apostel Matteüs wordt) en vier van zijn assistenten de opbrengst van de dag te tellen. Rechts verschijnt Christus (herkenbaar aan een halo rond zijn hoofd), samen met Petrus. Christus, die bijna als een geestverschijning staat afgebeeld – alleen maar hoofd, arm en hand, de rest verdwijnt in het duister – gebaart met zijn rechterhand naar Levi.

Volgens het bijbelverhaal, staat Levi vervolgens op en volgt Christus. Wie goed kijkt, ziet dat Christus’ voeten al gedraaid staan om de zaal te verlaten. Het doek is te verdelen in tweeën. Rechts staande Christus en Petrus en links de groep rond de tafel. De laatste groep uiteraard lager afgebeeld. Daartussen bevindt zich een soort grensgebied die overbrugd wordt door de handen van Christus en Petrus.
Carravagio manipuleert de blik van de kijker door de lichtval. Er is een sterke beweging van rechts naar links, waardoor alle blikken uiteindelijk naar Matteüs gaan.

Kaarslicht

Als we aan Carravagio denken, dan denken we meteen aan Rembrandt. Maar ik wil de minder bekende Georges de la Tour (1593 – 1652) uitlichten. Hij voegde namelijk iets bijzonders toe: het schilderen van kaarslicht.

georges de la tour

Georges de la Tour (1593 – 1652)
De berouwvolle Magdalena (1635/1640)
Olieverf op doek (113 x 93 cm)
National Gallery of Art, Washington D.C.

We blijven in bijbelse sferen. Maria Magdalena zit in gedachten verzonken met drie symbolen: de kaars, de spiegel en de schedel. De spiegel symboliseert de zelfreflectie en de vergankelijkheid van de schoonheid, de kaars het voorbijgaande leven en de schedel de dood. De schedel staat voor de kaars, die we daardoor alleen indirect, namelijk door het licht dat deze uitstraalt, te zien krijgen. Maria Magdalena heeft haar hand op de schedel en de andere ondersteunt haar eigen hoofd. Ze vormen zo a.h.w. een verbinding tussen het leven en de dood, die immers altijd op de loer ligt.

De La Tour schilderde verschillende voorstellingen waarin hij de effecten van kaarslicht bestudeerde. Hij maakt daarin gebruik van vereenvoudiging van vormen, een beperkt kleurenpalet en legt sterk de nadruk op details. Daardoor weet hij een sfeer van verstilling en reflectie te scheppen die weliswaar minder dramatisch is dan in het werk van Carravagio, maar zeker niet minder krachtig.

Licht op de wetenschap

Een derde voorbeeld van het dramatische lichteffecten zien we in het werk van Joseph Wright of Derby (1734 – 1797).

Joseph_Wright_of_Derby,_1768

Joseph Wright of Derby (1734 – 1797)
Een experiment op een vogel in een luchtpomp (1768)
Olieverf op doek (183 x 244 cm)
National Gallery, Londen

Wright was een kind van zijn tijd. Dat wil zeggen de Industriële Revolutie en de Verlichting; het tijdperk van wetenschappelijke ontdekkingen en vooruitgang. We zien op het schilderij een onderzoeker met een vogel in een glazen bol, waaruit een pomp langzaam de lucht zuigt.
De gevolgen laten zich raden.

In de groep zien we verschillende reacties van de toeschouwers: een meisje kijkt bezorgd naar de vogel, terwijl het iets oudere meisje niet eens wil zien wat er gebeurt. Haar vader probeert haar gerust te stellen. Eén man neemt de tijd op, een jongen kijkt belangstellend toe en het jonge stel lijkt overwegend oog te hebben voor elkaar. De onderzoeker zelf kijkt ons, de toeschouwers buiten het schilderij, aan.

Daagt hij ons uit? Moet hij doorgaan met het wegpompen van de lucht, of gaan we de vogel redden? Opvallend is dat behalve bij de kinderen, er weinig oog lijkt voor het lot van de vogel. Misschien is dat kenmerkend voor de tijd: sentimenten mogen de wetenschappelijke en economische vooruitgang niet hinderen.

Veel van de lichteffecten die we hierboven zien, zullen later terugkomen in de film. Met name in het tijdperk van de zwart-witfilms, maakten regisseurs gebruik van dramatische lichteffecten en hevige licht-donkercontrasten die veelal symbolisch geladen waren.

Geplaatst in beeldende kunst, beeldretorica, licht, schaduw | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

SCHILDERIJ vd MAAND 18/01

Onder de titel ‘Schilderij van de Maand‘ zet BEELDTAALBLOG maandelijks een schilderij in de etalage om daarmee een virtuele galerie samen te stellen. Het gaat vaak om schilderijen die onder de radar van de ‘grote’ kunstgeschiedenis zijn gebleven; minder bekende meesterwerken die de moeite van het bekijken echter meer dan waard zijn.

Het werk van de Amsterdamse kunstenaar Jaap Hillenius stond in het teken van licht, kleur en natuur. In 1999 kwam hij om het leven bij een verkeersongeval. Daarmee kwam een eind aan zijn zoektocht naar het ‘ultieme schilderij’.

hillenius jaap - la foret 1989
Jaap Hillenius (1934 – 1999)
La forêt (1989)
Olieverf op doek (150 x 170 cm)
Collectie: Galerie Frank Welkenhuysen, Utrecht

In het schilderij van deze maand zien we twee menselijke figuren innig verstrengeld op de bodem van een bos. De gestalten zijn geabstraheerd en in warme kleuren weergegeven. De rest van het schilderij, waarin landschappelijke elementen zijn verwerkt, is geschilderd in koele kleuren. Met lijnen zijn omtrekken van bomen aangeduid. We zien hier groene, paarse, blauwe en oranje tinten. Rechtsonder komen vijf armen het beeld in. Zij lijken de geliefden te willen aanraken, of strelen. Dit soort handen zien we soms in grotschilderingen, waarbij de prehistorische schilders hun eigen handen als sjabloon gebruikten.

Hillenius neemt in 1970 het besluit op zoek te gaan naar het ‘ultieme schilderij’. Eerst is hij mensen gaan schilderen, fragmentarisch weergegeven en opgebouwd uit ritmes. Daarna heeft hij vooral de beweging van water getekend. Van water ging het naar vegetatie en de ritmes van het groeien. Deze elementen zien we ook in het schilderij ‘La forêt’ terug.
Studiereizen brachten hem naar het oerwoud van Guatamala en Kenia. Om de ruimte van de woestijn te ervaren trok hij naar Arizona. Het licht en de kleur van de zomer zijn belangrijke thema’s die in veel van zijn werk voorkomen.

In zijn werk werd Hillenius sterk beïnvloed door de pointillist Seurat en het orphisme, de overgangsvorm tussen kubisme en abstracte kunst. We zien dit in het werk van de Fransman Robert Delaunay. Naast deze voorbeelden had Hillenius een grote belangstelling voor niet-Westerse kunst.

Van Seurat speelde vooral het grote doek ‘Une apres-midi de dimanche sur l’ile de la Grande Jatte’ uit 1885 een belangrijke rol. In dit schilderij zien we het licht in al zijn helderheid weergegeven. Alsof het altijd zondag is en de zomer nooit ophoudt.

Seurat,_1884
George Seurat (1859 – 1891)
Une apres-midi de dimanche sur l’ile de la Grande Jatte (1884 – 1885)
Olieverf op doek (207 x 308 cm)
Art Institute of Chicago

Echo’s van Seurat vinden we bijvoorbeeld terug in het schilderij ‘Drie figuren buiten / le dejeuner’:

Hillenius - drie figuren
Jaap Hillenius (1934 – 1999)
Drie figuren buiten / le dejeuner (1981)
Olieverf op doek (100 x 100 cm)

Het hele oeuvre van Hillenius stond in het teken van harmonie met de natuur. Dat betekende tevens een opgaan in de natuur. Daarom schilderde hij een jaar lang water; vervolgens een jaar lang gras. Het doel was het schilderij net zo veel licht te laten terugkaatsen als het gras deed. Sommige schilderijen zijn zo ontdaan van iedere herkenbare vorm, dat slechts het licht en de kleur van (vooral) de zomer overblijven.

Zijn streven was bovenal de natuur met onbevangen blik vast te leggen. Maar hij zag tevens de moeilijkheid daarvan: ‘Zodra je kijkt naar een koe zal het geheugenbeeld van een koe controlerend werken op de directe waarneming.’
De hersenen plaatsen het in een referentiekader.
Hillenius: ‘Het betekent dat er een ongelooflijk kort moment is dat je juist waarneemt en alles wat volgt gekoppeld is aan de herinnering.’
We weten door zijn vroege dood niet waar de schilderkunstige zoektocht naar het ‘ultieme schilderij’ die hij op zich genomen had, hem uiteindelijk gebracht zou hebben. Wat we wel zien is de intensiteit waarmee hij zich aan deze tocht overgaf.

Geplaatst in beeldende kunst, expressie, kleur, licht, schilderij vd maand | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen