KLEURVERHALEN: LUIZENBLOED, KONINGEN, KARDINALEN EN…ROZE KOEKEN

karmijn

Karmijn was, samen met het wat lichtere, meer naar oranje neigende vermiljoen, eeuwenlang het meest gebruikte rood in de schilderkunst. Deze kleuren waren ook de enige heldere roden die in omloop waren, dus schilders hadden voor de opkomst van synthetische kleurstoffen simpelweg niet veel te kiezen. Bovendien was vermiljoen ongeschikt om met blauw een mooi violet te maken.
Daarmee kon je niet om karmijn heen.

Maar in tegenstelling tot vermiljoen dat zich door de eeuwen als een betrouwbare kleur bewees, liet karmijn het nogal eens afweten.
Neem het onderstaande schilderij van de Engelse schilder William Turner, ‘Waves breaking against the wind.’

Turner2

Joseph Mallord William Turner (1775–1851)
Waves breaking against the wind (1835)
Olieverf op doek  (60 x 95 cm)
Tate Gallery, Londen

Wat we nu zien is een overwegend grijze voorstelling. We kunnen er nog wel de woestheid van de zee in herkennen, maar niet het schilderij dat Turner in 1835 signeerde.
Victoria Finlay schrijft in ‘Color – A Natural History of the palette‘ (2002)*:

‘The painting should have had a streak of color in a sunset sky, but instead it just shows a gray wash over a dull afternoon. When Turner ran his sable brush swiftly across the canvas of Waves Breaking against the Wind it carries a ruby slick of oil paint where the sun’s last colors were supposed to hit the clouds. But when you see it today the carmine pigment, like the day the artist was imagining, has disappeared  into memory.’

Nu stond Turner bekend als een schilder die graag experimenteerde met nieuwe kleuren en onverschillig stond tegenover de effecten van die pigmenten op de lange termijn. Waarschuwingen sloeg hij in de wind:

‘He chose his brightest red, even though he knew it would not last. Or perhaps he even liked the idea. After all, his paintings celebrate change – his skies and seas are a stormy riot of variety in nature and light – and the notion that the word would alter over time as well as canvas space may have been a delightful personal joke.’

Het hoefde niet altijd zo heftig mis te gaan. In olieverf weet de tint zich soms goed te houden, maar dat was afhankelijk van de blootstelling aan licht. Schilders pasten karmijn vaak toe als een glacis (doorzichtige verflaag) op het dekkende vermiljoen, wat de kleur daarvan verdiepte. Op dat soort ondergronden viel het vervagen van het karmijn trouwens ook minder op.

Dit zien we bijvoorbeeld in ‘St. Casilda’ van Francisco de Zurbarán:

Francisco_de_Zurbarán_-_St_Casilda_-_WGA26067

Francisco de Zurbarán  (1598–1664)
St. Casilda (1630)
Olieverf op doek (171 – 107 cm)
Thyssen-Bornemisza Museum, Madrid

Luizenbloed

De donkerrode kleurstof kent een lange geschiedenis. Grieken en Egyptenaren kenden het al. Ze gebruikten het als kleurstof in verf, maar ook om textiel te kleuren. Waarschijnlijk is de naam afgeleid van het Arabische ‘charma’ wat eenvoudigweg ‘rood’ betekent. Afleidingen zijn kermes, karmozijn en het Engelse crimson.
In de middeleeuwen stond het ook bekend als scharlaken.
Met name rond de Middellandse Zee werd karmijn of kermes geproduceerd. Venetië speelde (net als met veel andere kleurstoffen en specerijen) een centrale rol in de handel en distributie.

De kleurstof zelf is afkomstig van schildluizen die leven op de kermeseik.
Dat verklaart meteen waarom het vroeger zo duur was. De kleustof zelf maakt maar 1 procent uit van het lichaamsgewicht van de schildluis. Aangezien deze diertjes niet erg groot zijn, laat het zich raden dat er heel wat nodig zijn om een lap textiel te verven. Voor een kilo kleurstof zijn ongeveer 150.000 luizen nodig. Het gevolg was dat de kleur aanvankelijk vooral was voorbehouden aan vorsten en geestelijken. Zij waren de enigen die het zich konden permitteren.

Op symbolische wijze zien we dat nog steeds, ondanks dat de kleurstof inmiddels allang niet meer het exclusieve karakter heeft van weleer. In de Rooms Katholieke kerk dragen kardinalen een karmijnkleurig gewaad en ook de koningsmantel  (bij voorkeur met een bontje van hermelijn) is hiervan nog steeds een uiting.

koning

De cochenilleluis in de Nieuwe Wereld

Ook aan de andere kant van de oceaan, in de Nieuwe Wereld die Columbus in 1492 ontdekte, kenden de oorspronkelijke bewoners ook karmijn. De Inca’s en Azteken gebruikten een  schildluis die leefde op cactussen. Hieruit werd cochenille, of karmijnzuur gewonnen. Het rood hiervan was veel feller en naast goud en zilver vormde de export een belangrijke bron van inkomsten voor Spanje. Het verdrong het oorspronkelijke kermes snel van de markt.

Cochenilles

Cochenilleluizen op een cactus (bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Cochenilleluis)

Rond 1580 was de import van kermes uit het Midden-Oosten via Venetië zelfs geheel ingestort. Tegen die tijd stapten ook de kunstschilders voor het bereiden van hun rode lak van kermes over op cochenille. Het oude woord ‘karmijn’ ging automatisch over op de nieuwe kleurstof.

De Spanjaarden legden grote cactusplantages aan. Dit betekende overigens niet dat karmijn goedkoper werd. Ze hielden de herkomst geheim en dreven de prijs zo hoog op, dat deze zelfs die van goud evenaarde.
Om een idee te geven van de handel in cochinelle schrijft Kassia St Clair in ‘The Secret Lives of Colour‘ (2016)**:

‘Along with gold and silver, cochineal provided the financial sinew on which the Spanish empire depended. One observer wrote that in the year 1587 alone, around 144.000 punds or 72 tons of cochineal were shipped from Lima to Spain. (That is roughly 10.080.000.000 insects.)’

Het Spaanse Monopolie werd pas in de 19de eeuw doorbroken. De cactussen waar de luizen ‘geoogst’ werden gedijden ook in andere Zuid-Amerikaanse landen, Indonesië en op de Canarische eilanden bijzonder goed.

E120

Karmijn werd niet alleen in de schilderkunst gebruikt of voor het kleuren van textiel. Zelfs als geneesmiddel beweerde men dat het goede diensten bewees: artsen in de middeleeuwen kleurden er alcohol rood mee rood aan de zo ontstane ‘kermeslikeur’ schreef men een geneeskrachtige werking toe.

Tegenwoordig gebruikt de industrie het natuurlijke karmijn (dus afkomstig van de cochinelleluis) vooral nog als kleurstof in cosmetica en voedingsmiddelen. In die laatste hoedanigheid staat het bekend als E120 en vinden we het onder andere in M&Ms, kant-en-klaar-sauzen, Cherry Coca-Cola en de welbekende roze koeken. Niet dat het ook maar iets bijdraagt aan de smaak, maar er gaat wel een psychologisch effect van uit. De associatie tussen roze en zoet is snel gelegd en doet – voor wie er gevoelig voor is – het water in de mond lopen.
Een hoge dosis van de kleurstof is overigens giftig, de acceptabele dagelijkse inname bedraagt 5 mg/kg lichaamsgewicht.

insecten-eten-roze-koeken

Bron: https://duurzaaminsecteneten.nl/alles-over-het-duurzaam-eten-van-insecten/je-eet-al-insecten/

Meer kleurverhalen:

stil-de-grain-yellow 2  schiet- of schijtgeel
mummy brown-klein  mummiebruin
goud klein  goud
ultramarijn klein  ultramarijn
schweinfurter grun klein  schweinfurter groen

*   Victoria Finlay – Color / Random House – New York (2002)
** Kassia St Clair – The secret lives of colour / John Murray – London (2016)

Dit bericht werd geplaatst in beeldende kunst, geschiedenis, kleur, kleurverhaal, onderzoek en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op KLEURVERHALEN: LUIZENBLOED, KONINGEN, KARDINALEN EN…ROZE KOEKEN

  1. Pingback: KLEURVERHALEN: PRACHTROOD MET ZWAVEL EN KWIK | BEELDTAAL

  2. Pingback: KLEURVERHALEN: HET PURPER VAN DE KEIZERS | BEELDTAAL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s