KLEURVERHALEN: GOUD

goud

In 1907 voltooide de Oostenrijkse schilder Gustave Klimt (1862–1918) een portret van Adele Bloch-Bauer. Het was gemaakt in opdracht van Adele’s echtgenoot, de bankier en suikerproducent Ferdinand Bloch-Bauer. Klimt was ruim drie jaar bezig met het schilderij.
Hij ging dan ook bepaald niet over één nacht ijs. Aan het schilderij gingen tussen 1903 en 1907 meer dan honderd tekeningen vooraf. Het zou het laatste zijn in zijn arbeidsintensieve ‘gouden stijl’.

klimt-bildnis-adele-bloch-bauer1-1907

Gustav Klimt  (1862–1918)
Portret van Adele Bloch-Bauer I (1907)
Olieverf, zilver en goud op doek (138 x 138 cm)
Neue Galerie, New York

Klimt_Adele_Skizze_1

Gustav Klimt  (1862–1918)
Schets voor het schilderij ‘Portret van Adele Bloch-Bauer I’

Adele Bloch-Bauer zit op een gouden troon in een gouden gewaad. Het grootste deel van het doek bestaat uit bladzilver en vooral bladgoud. Gezicht, armen, handen, haar en decolleté zijn uitgevoerd in olieverf, maar dit maakt maar ongeveer acht procent van het totale doek uit. De rest is een collage van zwierige motieven in art-nouveau gekenmerkt door Byzantijnse en Egyptische elementen, zoals de ogen op de jurk.
Het geheel maakt een droomachtige, bijna hallucinerende indruk.
En net als Egyptische en Byzantijnse kunst heeft het schilderij een uitgesproken statisch karakter. Dit wordt nog versterkt door het gebruik van bladgoud en zilver, dat objecten op een schilderij een onwerkelijk en vlak karakter verleent.

Objects, when rendered in flat gold leaf, do not look real; the light falls across them evenly, rather than glinting white of the highlights and falling blackly into the shadowed areas as it would do naturaly. Artists used gold not for realistic effect, but because of its intrinsic value.*

Basiliek van San Vitale (Ravenna)

Klimts passie voor goud en zilver kwam niet uit de lucht vallen. Het was de tijd van Jugendstil en abstracte, sierlijke geometrie. In 1903, het jaar waarin hij de opdracht voor het portret kreeg, ondernam hij ook een studiereis naar de vroegchristelijke basiliek van San Vitale in Ravenna. Hier bewonderde hij de Byzantijnse mozaïeken van onder andere keizer Justianus I en diens vrouw Theodora.

Ravenna - mozaiek

Deze mozaïeken maakten een grote indruk op Klimt; zelf sprak hij van ‘een openbaring’. De mozaïeksteentjes werden gemaakt van glas, keramiek, steen en marmer en parelmoer. Wie door de kerk loopt wordt inderdaad overweldigd door de onvoorstelbare schittering die de indruk wekt uit goud en zilver te bestaan.

Goud zou gedurende de middeleeuwen een belangrijke rol gaan spelen in de kunst. In de vorm van bladgoud vinden we het terug in altaarstukken, gebruiksvoorwerpen en schilderijen. Het stond daarbij symbool voor de eerbied, aanbidding en vooral goddelijkheid. De eigenschappen van het metaal geven het een bijzondere en intense glans: net als zilver en koper bevat goud mobiele elektronen die licht sterk reflecteren.
Bovendien heeft goud de eigenschap dat het inert is; dat wil zeggen dat het niet reageert met andere elementen zoals zuurstof en dus ook niet roest, dof wordt of op andere wijze verandert. Hierdoor kreeg het de bijnaam ‘koning der metalen’.

Een ‘nutteloos’ metaal

Ironisch genoeg is goud ook een volstrekt nutteloos metaal:

(Het) is de ultieme ironie dat goud eigenlijk het meest nutteloze metaal is, geprezen als een mannequin die heel mooi kan zijn, maar niets in haar mars heeft. Anders dan metalen als ijzer, koper, magnesium, mangaan en nikkel heeft goud geen natuurlijke biologische functie. Het is te zacht om er gereedschap van te maken; het is onhandig zwaar.**

Deze eigenschappen maakten het eigenlijk alleen maar geschikt om er sieraden of munten van te maken. En dat gebeurde dan ook op grote schaal. Onnodig om te zeggen dat het daarmee ook het slechtste in de mens naar boven bracht. Want goud symboliseert daardoor niet alleen eerbied en goddelijkheid, maar vooral macht en rijkdom.

In hun zucht naar goud roeiden de Spanjaarden de oude beschaving van de Peruaanse Inca’s uit: Pizarro ontkende elke missie om de heidenen te bekeren tot het christendom, slechts verklarend: ‘Ik ben gekomen om hen het goud te nemen’.**

De zucht naar goud bleef, maar in de schilderkunst was haar rol na de middeleeuwen uitgespeeld. Tijdens de renaissance streefden schilders ernaar de werkelijkheid in hun werk steeds dichter te benaderen. Goud droeg daar, zoals we hierboven zagen, niet aan bij.
Giotto was de man die deze trendbreuk inzette. In zijn werk zien we dat hij zijn personages in een meer natuurlijke en realistische omgeving plaatste in plaats van tegen een platte gouden achtergrond.

giotto-Stefaneschi-Triptych-detail-recto

Giotto di Bondone (1267? – 1337)
Detail van het Stefaneschi Altaarstuk (1320)
Vaticaanse Musea, Vaticaanstad

De anatomie van het atoom ontrafeld

Omdat goud zo zacht is, kan het makkelijk geplet en gewalst worden. Een blokje goud van 1 gram (een kubusje met zijden van ongeveer 3,73 mm) levert een plaat bladgoud op met een oppervlakte van 1 vierkante meter. Bladgoud is dan tot een dikte van 0,0001 mm gehamerd. Dit gebeurt grotendeels trouwens nog steeds handmatig. Zo’n velletje weegt bijna niets en kan makkelijk gelijmd worden op voorwerpen; het zogenaamde vergulden. Middeleeuwse kunstenaars deden dat en Klimt paste dit weer toe in zijn portret van Adele Bloch-Bauer.

Deze eigenschap leidde ook tot interessante wetenschappelijke ontdekkingen. Ernest Rutherford (1871 – 1937) was een Nieuw-Zeelands-Britse natuur- en scheikundige, die ook wel de vader van de kernfysica wordt genoemd. Hij wilde de anatomie van het atoom doorgronden en wendde zich tot goud om precies dezelfde reden als middeleeuwse kunstenaars die er hun altaarstukken mee versierden: het is tot bijzonder dunne, haast transparante vellen te slaan. Daarmee verkreeg hij goud dat slechts een paar atomen dik was.

Hij liet alfadeeltjes (die bestaan uit twee neutronen en twee protonen en identiek zijn aan de kern van een heliumatoom) afvuren op deze ultradunne goudfolie. Een blaadje papier is al genoeg om deze deeltjes te absorberen, maar de meeste alfadeeltjes gingen dwars door de goudfolie heen. Slechts een klein aantal (1 op de 8000) werd teruggekaatst. Het leek alsof ze tegen iets hards waren gebotst. Binnen de goudatomen lag blijkbaar iets verscholen dat hard en massief genoeg was om de alfadeeltjes terug te stoten.
Dit was de atoomkern, of de nucleus.
Rutherford stelde in 1911 zijn atoommodel op: atomen bestaan overwegend uit lege ruimte, maar hebben een zeer kleine positief geladen kern, de nucleus genaamd. Hierin bevindt zich vrijwel alle massa. Om die kern cirkelen dan nog een aantal elektronen. De meeste alfadeeltjes scheerden dwars door die lege ruimte, maar een beperkt aantal stuitte op de kern en kaatsten vervolgens terug.
Als atomen uit heel veel leegte bestaan, geldt dat, omdat wij nu eenmaal uit atomen zijn opgebouwd, ook voor u en mij. Dat is dan wellicht weer minder leuk nieuws. Maar de jaren hebben (mij althans) inmiddels bewezen dat met die leegte goed te leven valt.

* Kassia St Clair – The Secret Lives of Colour (John Murray – London / 2016)
** Philip Ball  – De Elementen  (Amsterdam University Press B.V. – Amsterdam/ 2016)

Meer kleurverhalen:

stil-de-grain-yellow 2  schiet- of schijtgeel
mummy brown-klein  mummiebruin

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in beeldende kunst, geschiedenis, kleur, kleurverhaal, onderzoek, ruimte en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op KLEURVERHALEN: GOUD

  1. Pingback: KLEURVERHALEN: BLAUW VAN OVERZEE | BEELDTAAL

  2. Pingback: KLEURVERHALEN: DE GIFTIGE KANT VAN GROEN | BEELDTAAL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s