CAMOUFLAGE OF HET OOG BEDROGEN

Moeder Natuur maakt dankbaar gebruik van onvolkomenheden in de waarneming. Camouflage is daarvan een illustratief voorbeeld. In de wapenwedloop tussen jagers en prooidieren is het zaak vooral sneller, wendbaarder of slimmer te zijn. Maar je kunt je een hoop ellende en inspanning besparen door gewoon niet op te vallen. Of beter nog: onzichtbaar te zijn. De jager kan zodoende zijn prooi in alle rust besluipen en zich pas op het allerlaatste (en fatale) moment manifesteren, terwijl een goed gecamoufleerde prooi op z’n gemak kan wachten totdat het gevaar geweken is.

Camoufleren betekent letterlijk ‘onopvallend maken; wegmoffelen; onzichtbaar maken’. Het is ontleend aan het Franse camoufler waarin we invloed vinden van camouflet, wat letterlijk betekent ‘rook die in iemands gezicht geblazen wordt’. Dit zou zijn overgenomen uit het Italiaanse camufarre dat gevormd is uit capo (hoofd) en mufarre (verhullen).

Een natuurlijk proces van ‘camouflage in ontwikkeling’ was te zien bij de berkenspanner of peper-en-zout-vlinder (Biston betularia) in Engeland.

berkenspanner

Tot 1848 was deze altijd grijs gespikkeld, maar in dat jaar nam men in Manchester voor het eerst een volledig zwart individu waar. Deze vorm nam vervolgens snel in frequentie toe. Omstreeks 1900 bestond zelfs 95% van de populatie in geïndustrialiseerde gebieden uit donkere exemplaren.

‘Geïndustrialiseerde gebieden’ vormt een sleutelbegrip in dit verhaal. Vervuiling door zwaveldioxide doodde namelijk het korstmos op boomstammen en maakte de stammen donkerder. En aangezien de berkenspanner zijn dagen voornamelijk doorbrengt op de stammen, waren de lichte exemplaren een dankbare en gemakkelijke prooi voor vogels. Vlinders in landelijke gebieden hadden hier geen last van. Daar was de lichte uitvoering nog volop aanwezig en de donkere variant een uitzondering.

Door wetgeving die de uitstoot van schadelijke stoffen beperkte, namen in de loop van de 20ste eeuw de concentraties zwaveldioxide sterk af en dat had weer invloed op de boomstammen én op de toename van de lichte exemplaren in gebieden waar de donkere een tijdlang dominant waren.

De truc bij camouflage bestaat er natuurlijk uit de kleur, vorm en/of textuur van de onder- of achtergrond zo volledig mogelijk te imiteren. Het gevolg is dat de groeperingsprincipes* zoals figuur- en achtergrondscheiding** en het principe van goede voortzetting*** niet meer optimaal werken. Het principe van gelijkheid**** komt daarvoor in de plaats.

De vraag is overigens hoe gelijk items moeten zijn om ze als groep waar te nemen.

We kunnen dit demonstreren aan de hand van de figuur die de onderzoekers Olson en Attneave in 1970 gebruikten:

principes-gelijkheid

Bij 1 en 2 zijn de verschillen overduidelijk, maar bij 3 en 4 zien we al minder onderscheid, terwijl 5 en 6 op het eerste gezicht gelijk zijn. Pas na aandachtig kijken zien we de verschillen.

Perfecte camouflage bestaat niet. De grootste vijanden zijn schaduw en beweging. We weten dat roofvogels aan ultraviolet-detectie doen. Zij kunnen daardoor de urinesporen van muizen waarnemen, maar de muis die vrijwel perfect overeenkomt met de ondergrond valt pas op als hij beweegt.

Er is trouwens nóg een grens aan perfecte camouflage. Dieren moeten elkaar namelijk kunnen vinden om te paren. Onzichtbaar zijn voor je vijanden is één ding, maar als dat ook leidt tot onzichtbaarheid voor je soortgenoten heb je op den duur ook een probleem.


Groeperingsprincipes stammen uit de Gestaltpsychologie. Gestaltpsychologen deden onderzoek naar basale waarnemingsprocessen en ontdekten daarbij een aantal elementaire organisatieprincipes die aan onze waarneming ten grondslag liggen. Deze organisatieprincipes maken dat we bij het zien van bepaalde combinaties van elementen geneigd zijn om deze als een eenheid te ervaren, terwijl we dit in andere situaties juist zien als losse eenheden.

** Figuur- en achtergrondscheiding maakt dat we snel op een robuuste manier objecten van hun achtergrond kunnen scheiden. Een voorbeeld:  we kunnen hieronder twee dingen zien – een vaas, of twee gezichten – maar beide figuren tegelijk zien is bijna onmogelijk.

figuur-grond

*** Goede voortzetting houdt in dat we geneigd zijn om stimuli zo waar te nemen dat ze vloeiend in elkaar overlopen. Wanneer we bijvoorbeeld naar de figuur hieronder kijken, dan zien we een lijn die van A naar B loopt, en een lijn die van C naar D loopt. Terwijl het niet snel in ons op zal komen een lijn te zien die bijvoorbeeld van A naar C loopt, of van B naar D.

groeperingsprincipe4

**** Gelijkheid ontstaat omdat we geneigd zijn om gelijksoortige informatie in onze waarneming te groeperen tot een eenheid. De stippen in de figuur groeperen we bijvoorbeeld automatisch in vertikale richting. Probeer maar eens om het stippenpatroon in horizontale lijnen waar te nemen, u zult zien dat uw waarneming dat nauwelijks toelaat!

gelijkheid

Bron groeperingsprincipes: Open Universiteit

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in camouflage, ecologie, psychologie, waarneming en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op CAMOUFLAGE OF HET OOG BEDROGEN

  1. Pingback: RAZZLE DAZZLE (de kunst van het zichtbaar zijn) | BEELDTAAL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s