BEELDTAAL

BEELDTAALBLOG is een project van Willem Visser, (SEO)tekstschrijver, beeldend kunstenaar, (waarnemings)psycholoog en ontwerper van infographics. ‘Beeldtaal’ is te omschrijven als overdracht van gedachten waarbij geschreven – of gesproken taal geheel of gedeeltelijk vervangen is door beelden.
Op de hoogte blijven? Volg ons op Twitter: https://twitter.com/TXTPROnl
Meer weten? Neem vrijblijvend contact op: txtpro@kpnmail.nl
Of kijk op de website van TXTPRO*nl

Advertenties
Geplaatst in introductie

ZOMER IN DE STAD

zomer in de stad

We onderscheiden warme en koude kleuren. Rood en geel zijn warm, blauw en groen koud. Daardoor associëren we geel of rood automatisch met warm. Op die manier kunnen we begrippen en ideeën ‘vertalen’ in beelden.
Beeldtaal dus.

Hittestress

Tijdens warme dagen zoals we die nu beleven horen we regelmatig over ‘hittestress’. Dit merken we vooral in stedelijke gebieden. De bebouwde omgeving – asfalt, glas en beton – houdt nu eenmaal warmte vast. Water zorgt voor verkoeling en bomen voor schaduw en gaan hittestress tegen.
Dit wordt geïllustreerd door onderstaand beeld:

hittestress

Het is afkomstig uit ‘Hittestress in Rotterdam’, een uitgave van de gemeente Rotterdam uit 2011. Het stedelijk gebied is gemakkelijk te herkennen. Niet alleen Rotterdam, maar ook de omliggende gemeenten kleuren warm rood. Het temperatuurverschil tussen binnenstad en buitengebied kan oplopen tot wel 7 graden.

De wateroppervlakken zijn het koelst, gevolgd door weide- en akkerbouwgebieden. Industriegebieden en de dichtbebouwde gebieden in het centrum vertonen aanzienlijk hogere temperaturen. De relatief lage oppervlaktetemperatuur in Hoek van Holland (2), Hillegersberg-Schiebroek (22 en 16) en (delen van) Prins Alexander (14) corresponderen met het beperkte percentage bebouwd oppervlak en het grote areaal aan groen.
In gebieden met veel begroeiing en water (Kralingse Plas en het Groene Hart ten noordoosten van Rotterdam) blijkt de temperatuur behoorlijk lager te liggen in vergelijking met dichtbebouwde stadsdelen in het centrum of de industrie- en havengebieden.

Dat noemen we daarom ‘hitte-eilanden’, een naam die voor zichzelf spreekt. Het mag duidelijk zijn dat de inrichting en vormgeving van de stad van invloed is op het proces van opwarming en de eventuele overlast waarmee dat gepaard gaat.

Kleur en kaart

Kleur bepaalt in hoge mate hoe we een afbeelding interpreteren en welke associaties het oproept. Kijk maar wat er gebeurt als we in plaats van warme kleuren, koude kleuren voor ons kaartje gebruiken:

hittestress 2

Hetzelfde kaartje in andere kleuren en we krijgen de indruk van een kleine ijstijd, waarbij binnenstedelijke gebieden extra getroffen zijn door immense koude.

Geplaatst in ecologie, kleur, onderzoek | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

SPIEGELBEELDIG

Vallen veronderstelt beweging. In ieder geval van boven naar beneden, maar vaak ook naar links of rechts. Vallen werkt op de lachspieren. Vandaar dat in films van Laurel en Hardy veel gevallen wordt.
Vallen heeft ook iets vernederends. Letterlijk. Je gaat immers neer. En niet vrijwillig zoals bij knielen. Je wordt ten val gebracht (door een ander of door iets). Een voorbeeld van stadia van vallen zien we in het prachtige schilderij van Pieter Breughel de Oude dat een illustratie vormt van het gezegd ‘als de blinde de blinde leidt, zullen ze beide eindigen in de greppel’.

bruegel_blinden_grt

Pieter Brueghel de Oude (1520 – 1569)
De parabel van de blinden (1568)
Tempera op doek (85 × 154 cm)
Museo di Capodimonte, Napels

We zien zes figuren die achter elkaar aanhobbelen. Er is sprake van een neergaande lijn, als we de hoofden volgen van links naar rechts. De achterste twee lopers stappen nog vol vertrouwen voort, zich niet bewust van hetgeen zich voor hen afspeelt. Bij de derde begint de twijfel toe te slaan en bij de vierde is sprake van alarm. Van de rechtopstaande figuur links naar de gevallen rechts is een duidelijke beweging waarneembaar, waarbij de tegenbewegingen van de stokken de verwarring lijken te versterken. Er is sprake van een verhaal en een toenemende spanning.

Daarnaast is er anticipatie: we weten zeker dat ook de onbekommerde wandelaar aan het eind van de rij gaat vallen. Volgens de waarnemingspsycholoog en kunstbeschouwer Rudolf Arnheim (Art and visual perception – A psychology of the creative eye; 1954/1974) ‘lezen’ we een beeld van links naar rechts: ‘Since a picture is “read” from left to right, pictorial movement toward the right is percieved as being easier, requiring less effort’.

Wat gebeurt er dan als we het beeld omdraaien?

bruegel_blinden_grt - 2

We ‘lezen’ het beeld nog steeds van links naar rechts. We beginnen nu echter met een stelletje over elkaar struikelende figuren. Wat ontbreekt is de aanleiding voor deze valpartij. Het is alsof iemand een mop vertelt maar begint met de clou. Terwijl juist de opbouw van het verhaal essentieel is.

De spanning en anticipatie die we in de originele afbeelding ervaren gaat volledig verloren. We beginnen als het ware bij de ontknoping en draaien de film in ‘omgekeerde volgorde’ af.

Geplaatst in beeldende kunst, beeldretorica, lichaamstaal, spiegelbeeld, waarneming | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

SCHILDERIJ vd MAAND 18/07

Onder de titel ‘Schilderij van de Maand‘ zet BEELDTAALBLOG maandelijks een schilderij in de etalage om daarmee een virtuele galerie samen te stellen. Het gaat dan ook vaak om schilderijen die onder de radar van de ‘grote’ kunstgeschiedenis zijn gebleven; minder bekende meesterwerken die de moeite van het bekijken echter meer dan waard zijn.

Wouters Dining_Table copy

Rik Wouters (1882 – 1916)
De etstafel (1908)
Olieverf op doek (89 x 96 cm)
Koninklijk Museum voor Schone Kunsten / Antwerpen

 

Van sommige schilders zou ik eigenlijk het liefst het hele oeuvre – of op z’n minst een heel groot deel ervan – willen laten zien. Dat zijn meestal de schilders die de schilderijen maken die ik zelf zou willen maken. Of gemaakt zou willen hebben.
Rik Wouters behoort tot die categorie. In Antwerpen heb ik in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, alweer jaren geleden, een groot aantal schilderijen van hem gezien en mijn ‘eigen’ Boymans heeft één schilderij in de collectie.

Ik heb uiteindelijk gekozen voor het Antwerpse doek ‘De etstafel’.
Eerst wat over de man. Rik Wouters wordt in 1882 in Mechelen geboren. Zijn eerste opleiding krijgt hij in het atelier van zijn vader die houtbewerker is. Hij ontpopt zich al snel als beeldhouwer en gaat in 1900 naar de Brusselse Academie. In 1904 ontmoet hij zijn vrouw Nel. Zij poseert als model voor verscheidene kunstenaars en wordt de muze die hij nooit zal ophouden te schilderen. Rond 1906 komt zijn werk los van de academische stijl. Hij is dan al enkele jaren aan het schilderen waarin hij experimenteert met verschillende stijlen.

In 1910 maakt hij kennis met het werk van Van Gogh en Cézanne. Dit is cruciaal voor zijn ontwikkeling. Zijn kleuren worden feller en hij gaat in grote, heldere kleurvlakken schilderen. Daarin doet zich de invloed gelden van het fauvisme.
In navolging van Cézanne kiest hij voor dunne lagen verf die het doek op verschillende plaatsen vrij laat. Dit zien we in het doek ‘Open venster op Bosvoorde’, een werk uit 1914 waarin hij het doek, in tegenstelling tot ‘De etstafel’, nog slechts summier maar uiterst trefzeker beschildert.

Wouters Gezicht op Bosvoorde copy

Rik Wouters (1882 – 1916)
Open venster op Bosvoorde (1914)
Olieverf op doek (108 x 123 cm)
Koninklijk Museum voor Schone Kunsten / Antwerpen

 

Hij krijgt steeds meer succes en sluit in 1912 een contract met galeriehouder Georges Giroux. Dit bevrijdt hem van de allerergste financiële zorgen. Het zorgt ook voor enorme productiviteit. De Eerste Wereldoorlog gooit echter roet in het eten. Hij wordt opgeroepen voor het front.
In die tijd krijgt hij ook steeds meer last van hevige hoofdpijn. Het blijkt kanker aan het kaakbeen. Het echtpaar vertrekt naar het neutrale Nederland en vestigt zich in Amsterdam waar Rik behandeld wordt. Vreselijke pijnen maken hem het werken steeds moeilijker. In 1915 verliest hij na een operatie een oog en bij een nieuwe operatie een stuk van zijn kaak.

Nel getuigt over Riks laatste winter als volgt:

De sombere winter van 1915-1916 hangt over Amsterdam als een lijkwade van ijzel en sneeuw. Het was tijdens een van die treurige dagen dat de kwaal herbegon. Zijn stem klinkt hol en het is pijnlijk hem te zien eten. Hij kan alleen vloeibare dingen naar binnen krijgen, en dan nog slechts, zoals zijn dagelijks verband, door de opening van zijn gebroken kaakbeen. Dit verband achter in zijn mond stinkt en dat vloeibare voedsel doet hem walgen. Het vooruitzicht van de lange slapeloze nachten, in een wanhopige strijd tegen de pijn, maakt hem radeloos. Hij kan niet blijven liggen, wandelde in een kring rond als een gek.

In 1916 sterft hij, nog geen 34 jaar oud. In zijn korte leven liet hij een indrukwekkend oeuvre na: in nauwelijks 10 jaar maakte hij 170 schilderijen, 35 sculpturen, 50 etsen, 40 pastels en 1500 tekeningen.

Terug naar het schilderij ‘de etstafel’.
Wat maakt dit schilderij zo fascinerend?
Allereerst de kleur. We zien wit. Heel veel wit. En grijs in tal van nuances. Temidden daarvan een paar kleurige accenten. Een blauwe fles, waarschijnlijk voor etszuur. In de vensterbank een boek met roodoranje kaft waar een dunner geel boekje tegen aan staat. Als contrast tegen het roodoranje zien we subtiele groene toetsen, een fles in groen met een fel rood etiket. Over de stoel hangt kleding in blauw en wit. Tegen het blauw zien we weer een helder oranje accent, wat door het blauw niet alleen zichzelf te kijk zet, maar ook het blauw extra accentueert. Complementaire kleuren immers.

En kijk eens naar dat wit en grijs. Wit is nergens wit. Grijs is nergens grijs. Overal heeft Wouters met de grootste subtiliteit kleuren geschilderd. Het licht spettert door de vitrage naar binnen en valt op de tafel waar licht en schaduw vormen suggereren en doorschijnende partijen zichtbaar maakt, zoals in de blauwe fles, die daarvan bekentenis aflegt door zijn blauw te weerspiegelen op het wit van de tafel.
De achtergrond bestaat uit een raadselachtig geheel van grijze tinten. De linker bovenhoek is open gelaten. Daar zien we de ondergrond. Kortom: het is een schitterend spel van kleurrijke accenten en contrasten die omgeven zijn door grijze en witte partijen.

Dit schilderij is een feest voor het oog. Er is geen vierkante centimeter die niet op de één of andere manier de aandacht waard is, waar niet iets gebeurt. Dit is een schilderij om in te verdwalen en eindeloos in te blijven dwalen.

Geplaatst in beeldende kunst, kleur, licht, ruimte, schaduw, schilderij vd maand | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

KLEURVERHALEN: GOUD

goud

In 1907 voltooide de Oostenrijkse schilder Gustave Klimt (1862–1918) een portret van Adele Bloch-Bauer. Het was gemaakt in opdracht van Adele’s echtgenoot, de bankier en suikerproducent Ferdinand Bloch-Bauer. Klimt was ruim drie jaar bezig met het schilderij.
Hij ging dan ook bepaald niet over één nacht ijs. Aan het schilderij gingen tussen 1903 en 1907 meer dan honderd tekeningen vooraf. Het zou het laatste zijn in zijn arbeidsintensieve ‘gouden stijl’.

klimt-bildnis-adele-bloch-bauer1-1907

Gustav Klimt  (1862–1918)
Portret van Adele Bloch-Bauer I (1907)
Olieverf, zilver en goud op doek (138 x 138 cm)
Neue Galerie, New York

Klimt_Adele_Skizze_1

Gustav Klimt  (1862–1918)
Schets voor het schilderij ‘Portret van Adele Bloch-Bauer I’

Adele Bloch-Bauer zit op een gouden troon in een gouden gewaad. Het grootste deel van het doek bestaat uit bladzilver en vooral bladgoud. Gezicht, armen, handen, haar en decolleté zijn uitgevoerd in olieverf, maar dit maakt maar ongeveer acht procent van het totale doek uit. De rest is een collage van zwierige motieven in art-nouveau gekenmerkt door Byzantijnse en Egyptische elementen, zoals de ogen op de jurk.
Het geheel maakt een droomachtige, bijna hallucinerende indruk.
En net als Egyptische en Byzantijnse kunst heeft het schilderij een uitgesproken statisch karakter. Dit wordt nog versterkt door het gebruik van bladgoud en zilver, dat objecten op een schilderij een onwerkelijk en vlak karakter verleent.

Objects, when rendered in flat gold leaf, do not look real; the light falls across them evenly, rather than glinting white of the highlights and falling blackly into the shadowed areas as it would do naturaly. Artists used gold not for realistic effect, but because of its intrinsic value.*

Basiliek van San Vitale (Ravenna)

Klimts passie voor goud en zilver kwam niet uit de lucht vallen. Het was de tijd van Jugendstil en abstracte, sierlijke geometrie. In 1903, het jaar waarin hij de opdracht voor het portret kreeg, ondernam hij ook een studiereis naar de vroegchristelijke basiliek van San Vitale in Ravenna. Hier bewonderde hij de Byzantijnse mozaïeken van onder andere keizer Justianus I en diens vrouw Theodora.

Ravenna - mozaiek

Deze mozaïeken maakten een grote indruk op Klimt; zelf sprak hij van ‘een openbaring’. De mozaïeksteentjes werden gemaakt van glas, keramiek, steen en marmer en parelmoer. Wie door de kerk loopt wordt inderdaad overweldigd door de onvoorstelbare schittering die de indruk wekt uit goud en zilver te bestaan.

Goud zou gedurende de middeleeuwen een belangrijke rol gaan spelen in de kunst. In de vorm van bladgoud vinden we het terug in altaarstukken, gebruiksvoorwerpen en schilderijen. Het stond daarbij symbool voor de eerbied, aanbidding en vooral goddelijkheid. De eigenschappen van het metaal geven het een bijzondere en intense glans: net als zilver en koper bevat goud mobiele elektronen die licht sterk reflecteren.
Bovendien heeft goud de eigenschap dat het inert is; dat wil zeggen dat het niet reageert met andere elementen zoals zuurstof en dus ook niet roest, dof wordt of op andere wijze verandert. Hierdoor kreeg het de bijnaam ‘koning der metalen’.

Een ‘nutteloos’ metaal

Ironisch genoeg is goud ook een volstrekt nutteloos metaal:

(Het) is de ultieme ironie dat goud eigenlijk het meest nutteloze metaal is, geprezen als een mannequin die heel mooi kan zijn, maar niets in haar mars heeft. Anders dan metalen als ijzer, koper, magnesium, mangaan en nikkel heeft goud geen natuurlijke biologische functie. Het is te zacht om er gereedschap van te maken; het is onhandig zwaar.**

Deze eigenschappen maakten het eigenlijk alleen maar geschikt om er sieraden of munten van te maken. En dat gebeurde dan ook op grote schaal. Onnodig om te zeggen dat het daarmee ook het slechtste in de mens naar boven bracht. Want goud symboliseert daardoor niet alleen eerbied en goddelijkheid, maar vooral macht en rijkdom.

In hun zucht naar goud roeiden de Spanjaarden de oude beschaving van de Peruaanse Inca’s uit: Pizarro ontkende elke missie om de heidenen te bekeren tot het christendom, slechts verklarend: ‘Ik ben gekomen om hen het goud te nemen’.**

De zucht naar goud bleef, maar in de schilderkunst was haar rol na de middeleeuwen uitgespeeld. Tijdens de renaissance streefden schilders ernaar de werkelijkheid in hun werk steeds dichter te benaderen. Goud droeg daar, zoals we hierboven zagen, niet aan bij.
Giotto was de man die deze trendbreuk inzette. In zijn werk zien we dat hij zijn personages in een meer natuurlijke en realistische omgeving plaatste in plaats van tegen een platte gouden achtergrond.

giotto-Stefaneschi-Triptych-detail-recto

Giotto di Bondone (1267? – 1337)
Detail van het Stefaneschi Altaarstuk (1320)
Vaticaanse Musea, Vaticaanstad

De anatomie van het atoom ontrafeld

Omdat goud zo zacht is, kan het makkelijk geplet en gewalst worden. Een blokje goud van 1 gram (een kubusje met zijden van ongeveer 3,73 mm) levert een plaat bladgoud op met een oppervlakte van 1 vierkante meter. Bladgoud is dan tot een dikte van 0,0001 mm gehamerd. Dit gebeurt grotendeels trouwens nog steeds handmatig. Zo’n velletje weegt bijna niets en kan makkelijk gelijmd worden op voorwerpen; het zogenaamde vergulden. Middeleeuwse kunstenaars deden dat en Klimt paste dit weer toe in zijn portret van Adele Bloch-Bauer.

Deze eigenschap leidde ook tot interessante wetenschappelijke ontdekkingen. Ernest Rutherford (1871 – 1937) was een Nieuw-Zeelands-Britse natuur- en scheikundige, die ook wel de vader van de kernfysica wordt genoemd. Hij wilde de anatomie van het atoom doorgronden en wendde zich tot goud om precies dezelfde reden als middeleeuwse kunstenaars die er hun altaarstukken mee versierden: het is tot bijzonder dunne, haast transparante vellen te slaan. Daarmee verkreeg hij goud dat slechts een paar atomen dik was.

Hij liet alfadeeltjes (die bestaan uit twee neutronen en twee protonen en identiek zijn aan de kern van een heliumatoom) afvuren op deze ultradunne goudfolie. Een blaadje papier is al genoeg om deze deeltjes te absorberen, maar de meeste alfadeeltjes gingen dwars door de goudfolie heen. Slechts een klein aantal (1 op de 8000) werd teruggekaatst. Het leek alsof ze tegen iets hards waren gebotst. Binnen de goudatomen lag blijkbaar iets verscholen dat hard en massief genoeg was om de alfadeeltjes terug te stoten.
Dit was de atoomkern, of de nucleus.
Rutherford stelde in 1911 zijn atoommodel op: atomen bestaan overwegend uit lege ruimte, maar hebben een zeer kleine positief geladen kern, de nucleus genaamd. Hierin bevindt zich vrijwel alle massa. Om die kern cirkelen dan nog een aantal elektronen. De meeste alfadeeltjes scheerden dwars door die lege ruimte, maar een beperkt aantal stuitte op de kern en kaatsten vervolgens terug.
Als atomen uit heel veel leegte bestaan, geldt dat, omdat wij nu eenmaal uit atomen zijn opgebouwd, ook voor u en mij. Dat is dan wellicht weer minder leuk nieuws. Maar de jaren hebben (mij althans) inmiddels bewezen dat met die leegte goed te leven valt.

* Kassia St Clair – The Secret Lives of Colour (John Murray – London / 2016)
** Philip Ball  – De Elementen  (Amsterdam University Press B.V. – Amsterdam/ 2016)

Meer kleurverhalen:

 

Geplaatst in beeldende kunst, geschiedenis, kleur, kleurverhaal, onderzoek, ruimte | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

ULTRAVIOLET

Kleur bestaat niet.
We zien wel kleuren, maar dat komt omdat we uitgerust zijn met kegeltjes op ons netvlies die ‘kleuren’ onderscheiden. Maar die kleur is niets anders dan elektromagnetische straling. In de visuele cortex in ons (achter)hoofd beschikken we ‘toevallig’ ook nog over de geschikte apparatuur om die binnenkomende signalen te vertalen in – wat wij noemen – kleur.
Zonder kegeltjes is er geen kleur. Met kegeltjes, maar zonder gespecialiseerde filialen in de visuele cortex, geldt dit ook.

De kleur van een voorwerp of oppervlak bestaat uit elektromagnetische straling. De golflengte daarvan wordt bepaald door het deel van het licht dat wordt weerkaatst. Een wit oppervlak weerkaatst alle golflengten, terwijl een zwart vlak ze (bijna) allemaal absorbeert (en omzet in warmte). Via onze ogen worden deze gewaarwordingen in de hersenen omgezet in de waarneming van kleur.

Anders gezegd: elektromagnetische straling nemen we, al naar gelang de golflengte, waar als een bepaalde kleur. Voor mensen ligt het waarneembare spectrum tussen 380 en 780 nanometer. In dit spectrum onderscheiden we de volgende kleuren die uit een enkele golflengte van zichtbaar licht bestaan, het pure spectrum of de monochromatische kleuren:

  • rood 690 nm
  • oranje 610 nm
  • geel 580 nm
  • groen 530 nm
  • blauw 470 nm
  • violet 400 nm

color

Het spectrum volgens Newton

Het witte daglicht bestaat uit een mengsel van golflengten. Met een prisma kunnen we die pure kleuren uit het witte licht scheiden. Datzelfde gebeurt als we een regenboog waarnemen. In dat geval werken de regendruppels als kleine prisma’s.
Newton deelde het optisch spectrum overigens op in zeven kleuren, waarbij hij naast de zes bovengenoemde kleuren ook een rol zag weggelegd voor indigo, een kleur met een frequentie waar veel mensen tamelijk ongevoelig voor zijn. Ze kunnen deze nauwelijks onderscheiden van het blauw en violet waar het tussenligt. Maar Newton wilde zo de link leggen naar de zeven hemellichamen uit ons zonnestelsel die destijds bekend waren, de zeven dagen van de week en de zeven noten in een octaaf.
Waarschijnlijk kon Newton de (psychologische) behoefte niet weerstaan een mooi, kloppend en universeel verband te leggen tussen uiteenlopende verschijnselen. Tegenwoordig gaat men uit van een optisch spectrum van zes kleuren.

entire-spectrum

Ultraviolet: de zevende kleur van het spectrum?

Als er al een kleur in aanmerking zou komen als zevende in het spectrum, dan is dat niet indigo, maar ultraviolet (letterlijk ‘voorbij violet’). Newton kende deze kleur nog niet, want pas in 1801 ontdekte Johan Wilhelm Ritter dat ultraviolet licht zilverchloride van kleur deed veranderen.
Het verandert trouwens wel meer. Pigmenten en stoffen verkleuren onder invloed van blootstelling aan ultraviolette straling. Hetzelfde geldt voor onze huid als we in de zon gaan liggen. Zonder een geschikt UV-filter in een zonnebrandsmeersel, kan dat snel leiden tot verbranding. Op de lange termijn versnelt het de veroudering van de huid en kan overvloedig zonnebaden leiden tot huidkanker.
Een donkere huid beschermt beter tegen de zon. Vandaar dat mensen in warme streken een donkerdere huid hebben. Dat roept dan weer de vraag op waarom niet alle mensen een donkere huid hebben. Maar ten eerste is de natuurlijke uitrusting van de mens natuurlijk niet specifiek ontwikkeld om uren in de zon te liggen en ten tweede zou een donkere huid in minder zonnige streken de synthese van vitamine D tegengaan.
Een tekort hieraan leidt dan weer tot de Engelse ziekte; een botaandoening die vooral voorkwam bij kinderen en zich kenmerkte door onvoldoende botvorming en verkromming van armen benen vanwege de spierspanning. Tot in de jaren dertig van de vorige eeuw kwam deze ziekte nog voor in Noord-Amerikaanse steden en trof zwarte kinderen vaker dan blanke.

Hondenfluitje

Ultraviolet licht heeft een golflengte tussen 315 en 400 nm. Zoals de naam al doet vermoeden, ligt het links van violet. Op zich is er niets bijzonders aan ultraviolet, of het moet zijn dat ons oog het niet kan waarnemen. Het oog is wel gevoelig voor dit licht, maar de ooglens laat het niet door ter bescherming van het netvlies. Met andere woorden: als we onze ooglens zouden verwijderen, dan kunnen we ultraviolet licht waarnemen. De ooglens kan, na langdurige blootstelling aan teveel ultraviolet overigens wel staar ontwikkelen als ouderdomsverschijnsel.
Ultraviolet is het best te vergelijken met het geluid van een hondenfluitje.
U blaast.
U hoort niets.
Maar wie komt daar aanrennen?
Uw hond: hij heeft het wel gehoord.
Daar is niets magisch aan. Het gaat hier ook weer om de afstemming van de ontvangstapparatuur in het brein.

Ik herhaal het nog maar eens: wat u en ik zien wordt gekleurd door de beperkingen van de apparatuur waarmee we waarnemen. We zien bijvoorbeeld bloemen in het veld: speenkruid. We denken: ‘Goh, wat een mooie gele bloemen’. Het maakt ons misschien blij. Geel stemt nu eenmaal vrolijk en het is voorjaar, de zomer komt in zicht en de zon schijnt. Wat wil een mens nog meer? Alsof die bloemen daar voor ons geel staan te wezen:

Mooi niet.
Dat doen ze voor de bijen.
Het aloude liedje.

Maar dan nog: ze staan daar voor die bijen helemaal niet geel te wezen. Ze zijn violet en hebben een donker hart. Dat maakt het bijen makkelijker honing op te sporen en helpt de bloem bij de bestuiving.
Zo heb je twee vliegen in één klap.
Zo werkt dat nu eenmaal in de natuur: de ene dienst is de andere waard.
Aan ons heeft die bloem niets. Wij kunnen geen ultra-violet waarnemen; wij bestuiven niks. Wij betekenen noppes, niemendal voor een bloem.

Ultraviolet waarnemen

Bijen beschikken over ultra-violetreceptors. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld roofvogels. Het helpt hen bij het vinden van muizen. Muizenurine geeft namelijk ultraviolet licht af. Mannelijke muizen gebruiken hun urine bovendien om hun territorium af te bakenen, zodat deze extra in de gaten lopen. De roofvogel registreert het ultraviolette spoor en tast met zijn ogen de bodem af. Ze zien, doordat ze ook nog eens beschikken over een soort telelenzen, veel en veel scherper dan mensen.
Maar de meeste muizen zijn bruin en de ondergrond waarop ze leven ook. Het valt dus niet mee ze te onderscheiden. Waar roofvogels dan vooral op letten zijn minuscule bewegingen, subtiele veranderingen in schaduwen. Die kunnen duiden op de aanwezigheid van een maaltijd.

Ook pimpelmezen maken werk van UV. Pimpelmezen zien er, wat mij betreft, zo al prachtig uit. Maar ik ben natuurlijk geen pimpelmeesvrouwtje. Was ik dat wel, dan zou ik namelijk zien dat het mannetje op zijn kop een extra tintje heeft: ultra-violet.

Dat knalt eraf.

PimpemleesUV01

Het is je reinste kitsch, maar het vertelt ook iets over dat mannetje: hoe meer UV hij uitstraalt, hoe sterker hij is. Het is zijn visitekaartje, biomedisch paspoort en bewijs van viriliteit in één. En dat is precies waar de vrouwtjes op vallen: mannetjes met een lekkere ultra-violette kuif.

Signalen

Er zijn goede redenen waarom insecten en vogels wel ultraviolet kunnen waarnemen. Zij geven er (sexuele) signalen mee af en het stelt hen in staat voedsel op te sporen. Bij zoogdieren is dit vermogen niet ontwikkeld of verloren gegaan.

Ook dat heeft een reden: hoe groter het oog, hoe meer licht het kan ontvangen. Maar er bestaat een punt waarop de potentiële schade die ultraviolet licht in de loop der jaren kan veroorzaken niet meer opweegt tegen de voordelen. Veel vogels en insecten zijn geëvolueerd met het vermogen om ultraviolette golven waar te nemen, maar leven slechts een relatieve korte tijd en sterven voordat de schade zich kan manifesteren.

Geplaatst in ecologie, kleur, licht, waarneming | Tags: , , , , | 1 reactie

SCHILDERIJ vd MAAND 18/06

Onder de titel ‘Schilderij van de Maand‘ zet BEELDTAALBLOG maandelijks een schilderij in de etalage om daarmee een virtuele galerie samen te stellen. Het gaat vaak om schilderijen die onder de radar van de ‘grote’ kunstgeschiedenis zijn gebleven; minder bekende meesterwerken die de moeite van het bekijken echter meer dan waard zijn.

De Fransman Henri Matisse (1869 – 1954) behoort, samen met bijvoorbeeld Picasso, tot de grote vernieuwers van de schilderkunst aan het begin van de vorige eeuw. De Spanjaard domineert natuurlijk door zijn extraverte karakter en gevoel voor publiciteit deze periode in de kunstgeschiedenis. Hij is het icoon bij uitstek van de moderne (inmiddels eigenlijk weer klassieke) kunst.
Maar onderschat van Matisse niet.
Picasso en Matisse maakten kennis met elkaar in 1906. Picasso was elf jaar jonger dan Matisse. Beide mannen verschilden sterk van elkaar, zowel in persoonlijk als in schilderkunstige opvattingen, maar toch bestond er, naast de rivaliteit, een grote wederzijdse bewondering.
Zij hielden elkaars werk dan ook nauwlettend in de gaten en hoewel ze uitgingen van verschillende opvattingen, was er wel degelijk sprake van wederzijdse beïnvloeding.
Het grote verschil was waarschijnlijk vooral dat Matisse werkte naar de natuur en Picasso veel meer putte uit zijn fantasie en herinnering. Hun onderwerpen komen vaak overeen: vrouwen en stillevens, waarbij Matisse zijn figuren vaker in uitgewerkte interieurs plaatste.

Matisse - PianoLesson

Henri Matisse (1869 – 1954)
De pianoles (1916)
Olieverf op doek (245 x 212 cm)
Museum of Modern Art, New York

Tijd

We zien dit terug in het werk dat ik als schilderij van de maand juni heb gekozen. Het is getiteld ‘De pianoles’. Het is een groot doek van meer dan twee bij twee meter. Het grootste deel is geschilderd in grijs. Voor een schilder die gold als het boegbeeld van het fauvisme (de Franse tak van het expressionisme) en bekend stond om zijn gedurfde kleurgebruik, is dat een opvallende keuze.
We zien een interieur met een jongen (de zoon van Matisse, Pierre) achter de piano. Althans, we gaan ervan uit dat het een piano is, getuige de standaard waarop de muziek staat en waar de jongen aandachtig naar kijkt. We zien zijn handen niet en evenmin het toetsenbord. Het enige wat verder verwijst naar muziek is de metronoom op de roze geschilderde klep van de piano. Ook zien we daar nog een brandende kaars. Beide verwijzen naar het begrip tijd, of beter nog: het verstrijken daarvan.

Linksonder staat een sculptuur van Matisse. Achter de jongen zien we een vrouw gezeten op een hoge stoel of kruk. Is dit de pianolerares? Waarschijnlijk niet. Het is een schilderij dat Matisse eerder maakte. We zien verder nog een raam. De wind heeft het gordijn een beetje doen opwaaien, waardoor we zicht krijgen op een helder groen. Hier gunt de schilder ons een blik op de buitenwereld en doorbreekt hij als het ware het platte vlak van het schilderij.

Allegorie op de muziek en beeldende kunst

Muziek en beeldende kunst zijn de onderwerpen van het werk, waarmee het eigenlijk een allegorie is. Hoewel het schilderij begonnen is aan de hand van een tekening, heeft Matisse steeds meer details geschrapt. Hij is niet in de eerste plaats geïnteresseerd in ruimte. Kleur en de verhoudingen tussen vlakken, zeg maar beeldritme, zijn voor hem van belang.
Wat rest is een sterk gecomprimeerd beeld waarin een aantal dingen opvallen. Zo is er sprake van een herhaling van geometrische vormen. Vooral de driehoek komt veelvuldig terug: het groene vlak met uitzicht, het gordijn zelf, de metronoom, de zijkant van de piano en de schaduwpartij op het gezicht van de jongen. Ook zien we een aantal vertikalen, zoals bij het raam en de zalmroze baan ernaast. Daardoor ontstaan rechthoeken die samen met de driehoeken een geometrisch patroon vormen.

Geometrie en decoratie

Die strenge geometrie doorbreekt Matisse door het decoratieve lijnenspel in zowel het hekwerk aan de onderaan van het raam, als in de muziekstandaard. Hiermee lijkt hij niet alleen de strenge geometrie van een contrast te voorzien, maar ook op een frivole, beeldende manier het karakter van de muziek weer te willen geven.
Het schilderij is door de eenvoud, geometrische opbouw en de subtiele vlak- en kleurverdeling, waarin het grijs een onopvallende, maar wel uiterst belangrijke rol speelt, een toonbeeld van balans, helderheid en verstilling. Die opdracht had hij ook voor zichzelf geformuleerd en vormde gedurende heel zijn loopbaan een anker, ondanks de ogenschijnlijk verschillende stilistische perioden waarin zijn werk valt te onderscheiden.

Geplaatst in beeldende kunst, geschiedenis, kleur, schilderij vd maand, vlakverdeling | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

SCHILDERIJ vd MAAND 18/05

Onder de titel ‘Schilderij van de Maand‘ zet BEELDTAALBLOG maandelijks een schilderij in de etalage om daarmee een virtuele galerie samen te stellen. Het gaat vaak om schilderijen die onder de radar van de ‘grote’ kunstgeschiedenis zijn gebleven; minder bekende meesterwerken die de moeite van het bekijken echter meer dan waard zijn.

Tom Phillips (1937) is een veelzijdig Engelse kunstenaar. Zijn werk laat zich niet makkelijk in een vakje stoppen. Het is veelzijdig en speels. Phillips heeft ook niet echt een eigen herkenbare stijl van schilderen. Hij citeert veelvuldig uit de rijke geschiedenis van schilderkunst. Zo maakt hij regelmatig gebruik van een pointillistische techniek, maar vinden we abstracte elementen in zijn werk, of refereert hij aan Cézanne.

Ansichtkaarten

Zijn werk heeft vaak een literaire inslag. Als je hem al ergens bij wilt indelen, dan past zijn werk in de traditie van de Engelse popart. Denk dan aan figuren als Peter Blake, Richard Hamilton en David Hockney. Vooral met de eerste twee deelt hij een voorliefde en fascinatie voor alledaagse en toevallig gevonden voorwerpen en onderwerpen, waaronder ansichtkaarten.

Phillips hanteert uiteenlopende technieken. Zo maakt hij schilderijen, zoals het hier getoonde drieluik ‘Benches’, maar maakt hij ook collages en foto’s. Verder ontwierp hij verschillende hoezen van muziekalbums. Daarnaast be- en verwerkt hij boeken. Het bekendste in deze reeks is getiteld ‘A Humument’ (ik kom daar straks nog op terug). Tenslotte is hij ook nog actief als componist (o.a. een opera: ‘The quest for Irma’) en uitvoerend musicus. Ook als portretschilder heeft hij zijn sporen verdiend. Zo maakte hij portretten van de cast van Monty Python inclusief A Parrot (Deseased).

4e06d894446669fc45709d88eb786c60

Tom Phillips (1937) 
Benches (1971)
Acryl op doek (125 x 275 cm)
Tate Gallery, London 

Wat is het verhaal achter ‘Benches’?
We hebben te maken met een drieluik. De zijluiken bevatten een smal horizontaal beeld met verticale kleurbanen; het middenpaneel zes aparte beelden met horizontale kleurbanen en tekst (sjabloonletters, type stencil). Alle afbeeldingen laten mensen zien op bankjes in een park (met uitzondering van het rechterpaneel, waar iedereen juist lijkt weg te lopen van de bank).
Het schilderij ontstond in de woorden van Tom Phillips zelf toen hij in februari 1970 een ansichtkaart in handen kreeg van Battersea Park.

Het past ook in de traditie van popart, waarin het alledaagse en populaire inspiratie kan zijn voor een schilderij, collage of object). In zijn eigen woorden:

‘Most of the many postcard purchases that I have made have the feeling of Ezra Pound’s category, ‘not source material but relevant’. This one however spoke to me directly of mortality. Stark light fused the group while better delineating its members in their isolation and separateness. They were the assembled cast of a tragedy and or its spectators: the ironic brightness of council flowers and the drab gaiety of the surrounding concrete parkland reinforced these impressions.’

Hij moest die dag op het Wolverhampton College of Art zijn en daar aangekomen was het personeel van de administratie net bezig de ansichtkaarten te verzamelen die ze elkaar die zomer hadden gestuurd.

‘Because there were so many unifying factors (provenance, purpose, sunshine, unfactitiousness of choice etc.) another such factor could, by poetic extension, be postulated; that the source photographs for these postcards were all taken in the various places at the same instant as the postcards of Battersea Park.’

Meer kaarten volgden en het project kwam in een stroomversnelling toen hij een jaar later een tweede kaart in handen kreeg met als onderwerp dezelfde bank. Daarmee had hij het onderwerp voor de beide zijpanelen en ontstond het beeld voor het middenpaneel.
Voor het volledige verhaal zie hier.

Hieronder de drie delen van het schilderij afzonderlijk:

tom ph 1

tom ph 2

tom ph 3

Kleurcatalogi

Het motief van de horizontale en verticale kleurstroken komt voort uit de kleurcatalogi die Phillips opbouwde met de verf die hij gebruikte voor de schilderijen waar hij mee bezig was, of als restproducten na een dag schilderen. Soms ontstonden hieruit weer aparte schilderijen die een soort gekleurd dagboek vormden.
De breedte van de stroken bepaalde hij veelal aan de hand van het opgooien van een munt, waarbij het aantal keren kop of munt bepalend was voor de breedte. Het geeft de gelaagdheid en speelsheid aan waarmee Phillips de schilderkunst en de werkelijkheid tegemoet treedt en de toeschouwer iedere keer weer verrast.

A Humument

Zijn meest bekende werk is misschien wel A Humument: A Treated Victorian Novel. Ook dit is weer min of meer bij toeval ontstaan. Phillips ging naar een boekhandelaar om een goedkoop boek te kopen als basis voor een project. Hij kocht toevallig de roman A Human Document geschreven door de Victoriaanse auteur William Hurrell Mallock. Dit vormde het begin van een lang project waarin hij kunst schiep door gebruik te maken van de bladzijden, waarop hij schildert, tekent, collages maakt en sommige delen tekst open laat, waardoor een geheel nieuwe tekst ontstaat met een heel ander verhaal en personages als de oorspronkelijke die door door Mallock waren geschapen.
De hoofdpersoon is een karakter met de naam “Bill Toge”, wiens achternaam alleen voor kan komen op bladzijden waar oorspronkelijke alleen woorden als “together” of “altogether” staan. Verschillende versies zijn inmiddels verschenen van dit zich continuerende project.

Website Tom Phillips.

Geplaatst in beeldende kunst, kleur, schilderij vd maand | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen